Opgravingen
OUDE HANDSCHRIFTEN BIJ DE DODE ZEE
1. Geschiedenis.
Ten N.W. van de Dode Zee was in de zomer van 1947 een kudde geiten aan het grazen in de steppeachtige weiden aldaar. Op een gegeven ogenblik liep een geit van de kudde weg en één der herders, een Bedoeïen haar achterna. Daar de geit zich niet zo gemakkelijk terug liet drijven, werd het een hele zwerftocht, die de herder bracht bij een grot, 12 km ten Z. van Jericho, 300 m boven de zeespiegel van de Dode Zee. Deze grot, die een nauwe opening had in de buitenwand, trok de aandacht van de Bedoeïen. Hij wierp een steen naar binnen en hoorde toen gerinkel van scherven. Met enige er snel bijgehaalde makkers klommen ze naar binnen en toen bleek, dat de grot een vloeroppervlakte had van 8 bij 2 m en een hoogte van ± 3 m. Op de bodem stonden verscheidene aarden potten, die bij nader ondeizoek oude boekrollen bleken te bevatten. Sommige kruiken waren nog intact, anderen waren erg geschonden. Deze kruiken waren 60 cm hoog met een middellijn van 25 a 28 cm. Oren zitten er bij de meesten niet aan. Alle hebben ze een rechte hals met brede opening, afgesloten met een deksel. De buitenkant heeft een rode, roze of grijze kleur. Er binnenin zaten dan de opgerolde beschreven vellen, de oude handschriften, geen papier, maar geprepareerde dierenhuiden, recht gesneden en aan elkaar genaaid, het zgn. perkament. Deze rollen nu waren zorgvuldig in doeken gewikkeld, alvorens ze in de aarden kruiken waren gedaan. Aanvankelijk meende men. dat die doeken gedrenkt waren in teer of pek of asfalt, maar later onderzoek heeft aangetoond, dat het niets anders dan vergaan leer was. Daardoor waren de rollen hard geworden en moeilijk te hanteren, maar toen ze eenmaal aan de buitenlucht blootgesteld w r aren, werden ze vanzelf beter handelbaar.
Ongeschonden waren ze echter niet gebleven. De wormen hadden er geducht aan geknaagd. Men mag echter al dankbaar zijn, dat ze nog zo goed bewaard zijn gebleven, wat voornamelijk te danken is aan het feit, dat het klimaat bij de Dode Zee veel lijkt op dat in Egypte.
Terloops zij opgemerkt, dat het bewaren van geschreven stukken in aarden kruiken Bijbels is: Zo zegt de Heere der heirseharen. de God Israëls: eem deze brieven, deze koopbrief, zo de verzegelde als deze open brief, en doe ze in een aarden vat, opdat zij vele dagen mogen bestaan." (Jer. 32 : 14).
Enige van de beste kruiken met inhoud namen de Bedoeïnen mee en togen er mee naar Bethlehem. Aan een antiquair vroegen ze daar voor de grootste rol twintig Engelse ponden. Maar de man vond dat te veel en de koop ging niet door. Toen naar een Syrische koopman. Deze vermoedde al dadelijk, dat hier iets bijzonders aan de hand was en dat er schatten gevonden waren en sprak er over met een collega te Jeruzalem. Toen rolde het geheim vanzelf verder en zo kwam het de metropoliet van een klooster te Jeruzalem ter ore, die vier rollen kocht. Deze metropoliet A. Y. Samuël, vroeg' aan een Joodse arts Braun naar de waarde van de rollen en deze maakte de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem op de vondst opmerkzaam. Een professor hieraan, prof. Sukenik, kocht ook enige rollen en slaagde er met grote moeite in zijn kostbaar bezit binnen Jeruzalem te krijgen, (het was in de Isi'aëlisch-Arabische oorlog', zoals de lezer zich herinneren zal.) Een gedeelte was dus nu terechtgekomen bij de Hebreeuwse universiteit en een gedeelte bij de metropoliet Samuël.
Op 18 Februari 1948 telefoneerde een monnik van het meergenoemde klooster over de zaak met de American Schools of Oriental Research te Jeruzalem (d.i. een Amerikaanse instelling voor het onderzoek van het Oude Oosten). Dr J. C. Trever van dit instituut was dadelijk zeer enthousiast. Tijdelijk kreeg hij de beschikking" over de rollen van het klooster en maakte er fotografieën van. Dit was het begin van de beschikbaarstelling van de vondst voor de wetenschap.
Door de troebelen was het niet geraden de rollen in Palestina te laten. Het klooster borg ze in 1948 op op een veilige plaats in een naburig land. Eind Maart 1948 verlieten de Amerikanen Jeruzalem met medeneming van hun materiaal en zo kwamen die rollen in Amerika terecht. Prof. Sukenik is hem toen nog nagereisd om ze voor de staat Israël op te eisen, maar de aanhangig gemaakte rechtzaak had geen gunstig gevolg voor hem. Na nauwkeurige bestudering gaven de Amerikanen in 1950 een prachtig boek er over uit, getiteld: „The Dead Sea Scrolls of St. Mark's Monastery." In dit werk in twee delen wordt een fotocopie gegeven van de rollen en op de tegenoverliggende bladzijde duidelijkheidshalve nog eens de Hebreeuwse tekst. „Het is een schitterend staal van wetenschappelijke uitgave en alle geleerden, die zich voor deze materie interesseren, mogen de Amerikaanse uitgevers dankbaar zijn." (Prof. Edelkoort)
De geschriften, waar het in dit opstel over gaat, zijn de volgende:
Het klooster (Amerikanen) bezit:
1. de rol van de profetieën van Jesaja. 2. een rol met de verklaring van de profetie van Habakuk. 3. twee rollen, die een soort van reglement voor een godsdienstige gemeenschap bevatten. 4. een rol, die ongeopend bleef.
De Hebreeuwse universiteit bezit:
1. ook een rol van de profetieën van Jesaja. 2. vier rollen met psalmen. 3. een rol, die een gevechtstactiek behandelt.
In totaal dus elf stuks.
We hopen D.V. in een volgend artikel wat meer over deze rollen te vertellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1954
Daniel | 8 Pagina's