Brief van Ds A. Vergunst
(Deze brief, welke Ds Vergunst aan zijn oude gemeente zond, willen wij, met toestemming van de redactie der Kerkbode onze lezers niet onthouden.)
Paterson, 5 Februari 1954.
(Deze brief, welke Ds Vergunst aan zijn oude gemeente zond, willen wij, met toestemming van de redactie der Kerkbode onze lezers niet onthouden.)
Geliefde Gemeente.
Door Gods grote goedertierenheid hebben wij de gevaarvolle reis over de oceaan mogen volbrengen en zijn wij in welstand in Amerika aangekomen. Daar ik beloofd heb om een verslag van mijn ervaringen in de Kerkbode aan de gemeente uit te brengen, wil ik daarmede niet wachten totdat ik in Corsica aangekomen ben, maar wil ik daarmede maar dadelijk een aanvang maken, nu ik nog in Paterson ben, daar de gebeurtenissen op de reis zo veelvoudig zijn geweest, dat ik daar een lange brief over schrijven kan.
Maandagmorgen, 25 Januari, zijn wij uit Zeist naar Leiden gegaan, waar w T ij de gehele familie aantroffen, die ons naar de boot zou vergezellen. Voordat wij de ouderlijke woning verlieten, hebben wij met elkaar een gedeelte van Gods Woord gelezen, waarna mijn broeder ons in den gebede Gode bevolen heeft.
Onder de indruk van het scheiden zijn wij naar de boot gegaan, waar onderscheidenen aanwezig waren om ons een hand van laatst vaarwel te drukken. De gevoelens, die in zulke ogenblikken in een mens omgaan, laten zich niet onder woorden brengen. Toen de boot zich van de kade losmaakte en wij Nederland achterlieten, konden wij een ogenblik onze gevoelens niet langer meester blijven.
Na enkele uren zagen wij niets meer van Holland en voeren wij op de Noordzee. Nadat wij onze zaken wat geregeld hadden en nadat wij gegeten hadden, hebben wij wat rondgewandeld op het schip cn zijn vroeg naar bed gegaan.
Toen wij Dinsdagmorgen wakker werden, was de boot aangekomen in Le Havre, waar nog verschillende
passagiers zich inscheepten. We zijn in de loop van de morgen weer uit Le Havre vertrokken om het Kanaal over te steken naar Engeland, waar wij om 8 uur 's avonds aankwamen. In de nacht vertrok het schip weer vandaar om naar t^obh in Ierland te varen. Woensdagavond kwam het schip daar voor de haven, waar door middel van een klein bootje enkele passagiers zich inscheepten en ook wat vracht geladen werd. Na enkele uren daar te hebben vertoefd, werd de grote reis, de Atlantische Oceaan over, aangevangen.
Waren de eerste dagen, wat dc vaart betreft, vrij rustig geweest, uitgezonderd het vreemde van gedurig op een bewegend schip te zijn, toen wij echter eenmaal de Oceaan opgevaren waren, kwamen wij er achter, dat wij in de wintertijd aan een grote zeereis begonnen waren, want wij kwamen al dadelijk in een zware storm. De zee was zó ruw en de wind zó krachtig, dat de loods niet van boord kon en noodgedwongen mee moest varen naai' Halifax.
Toen de volgende morgen aanbrak, werd het aan de tafels al duidelijk, dat de meeste mensen, die op het schip waren, niet in staat waren om de ongemakken van een winterse zeereis te verdragen. Van de 900 passagiers, die aan boord waren, kwamen er 700 op bed terecht. Bijna gedurende de hele reis hadden wij dit stormachtige weer.
Mijn moeder was al dadelijk niet in staat om van bed af te komen. Zij moest van Woensdag tot en met Dinsdag daarop op bed blijven en voelde zich heel naar. Gelukkig voor haar, dat mevr. de Wed. Ds Kersten ook aan boord was, en die heeft haar bijna de hele reis gezelschap gehouden en is haar door haar hulp en raad veel tot steun geweest.
Toen ik op het schip kwam, maakte zich al dadelijk
een adjudant van de luchtmacht bekend, die met een regeringsopdracht naar de Verenigde Staten moest om een cursus te volgen. Deze adjudant, de heer Jorna uit Den Haag, was ook lid van de Gereformeerde Gemeente aldaar en heeft voor mij door zijn vriendschap en medeleven de reis veraangenaamd. Wij waren de hele dag samen en hebben veel over Holland gesproken. Gelukkig had ik niet de minste last van de beruchte zeeziekte, maar moest, om deze te voorkomen, wel de hele dag zorgen in de frisse lucht te blijven. Wij hebben samen veel gewandeld. Het ene dek op, het andere af. Het is op zo'n schip een klein wereldje. Bijna alles, wat er in de stad te vinden is, is er ook. Er waren bars, waar flink gedronken werd, er was een bioscoop, die elke dag veel belangstelling trok; er is elke avond gelegenheid om te dansen, met al de goddeloosheid, die daar aan verbonden is; er zijn speelkamers, waar men zijn geld verliezen en waar men geld verdienen kan, en al deze gelegenheden hadden overvloedige belangstelling.
Wij voelden ons vreemd op dit grote schip en ik was blij met het gezelschap van de heer Jorna voor mij, en het gezelschap van Mevrouw Kersten voor Moeder. Van de eerste dag af hebben wij met elkander des avonds de dag gesloten door het lezen van een gedeelte van Gods Woord en door gebed.
Aan boord van het schip kenden wij verder niemand. Wij wisten van niemand verder iets af. Er waren ook zo vele nationaliteiten. Er waren Hollanders, Amerikanen, Engelsen, Fransen, Belgen, Oostenrijkers, Duitsers, Denen, Italianen, zodat men alle talen kon horen spreken.
Aan boord van het schip stond aangeplakt, dat er Zondags godsdienstoefening zou worden gehouden en dat passagiers verzocht werd de naam van een aanwezige geestelijke bekend te maken, opdat hun zou kunnen worden verzocht om de godsdienstoefeningen te leiden. De heer Jorna begaf zich dan daartoe naar de aangewezen persoon, zodat mij verzocht werd om de dienst te leiden. Ik kreeg daarvoor de gelegenheid om 11 uur, omdat er om tien uur een mis door een rooms-katholieke priester zou worden opgedragen. Vrijdagsmorgens echter werd mij medegedeeld, dat er ook een Amerikaanse zendeling aanwezig was, een zekere Ds Clark, die drie jaar in Liberia onder de negers gewerkt had, en dat het wenselijk was, dat ik met hem in overleg zou treden om de dienst samen te leiden, daar hij dan voor degenen, die geen Hollands verstonden zou kunnen voorgaan.
Na overleg met deze predikant besloten wij om in deze ene dienst om beurten ons werk te doen. Ik zou de dienst aanvangen door een Hollandse psalm te laten zingen en dan zou hij een Engelse hymne laten zingen. Daarna zou ik lezen Joh. 14 : 1—14. waarna hij hetzelfde in het Engels lezen zou; vervolgens zouden wij een gebed doen, eerst in het Hollands, daarna in het Engels, en dan zouden wij ieder op zijn beurt spreken over Johannes 14 : 6, waarna wij beiden de dienst zouden beëindigen met gebed en het zingen van een Nederlandse psalm en een Engelse hymne.
De orde van de dienst werd in het Nederlands en in het Engels gedrukt. Op de aanplakborden en door de luidspreker werd deze dienst aangekondigd. Toen ik Zaterdagsmiddags langs het aanplakbord liep, zag ik dat men de aankondiging van de film, die die middag in de bioscoop werd gedraaid, half over onze aankondigingen heen geplakt had, waarna ik naar de „purser", een administrateur, die al deze dingen regelt, stapte, om hem te vertellen, dat dit toch wel zeer ongepast was en dat het op zijn plaats was om dit te wijzigen. Door zijn vriendelijke medewerking werd dit dan ook dadelijk veranderd, waardoor op duidelijke wijze ieder er kennis van nemen kon, dat er Zondags een dienst in het Engels en in het Nederlands zou worden gehouden.
Velerlei gedachten gingen op die Zondagmorgen in mij om. Daar het tijdsverschil al vier uren was, was het. toen ik de dienst aanving, in Zeist al drie uur in de middag. De hele dag hebben wij over Zeist en Leiden gesproken en volgden wij alles in onze gedachten wat er zo plaats vond. Het was wel een eigenaardige gewaarwording toen wij in de zaal, waar elke dag bioscoop gehouden werd. achter een kleine katheder plaats namen om het Woord Gods te bedienen.
Tot onze ver wondering waren er circa 140 aanwezigen. Er waren voornamelijk Amerikanen, Nederlanders, Duitsers en Belgen in de dienst. Met vrijmoedigheid mochten wij spreken over Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, en door Wie alleen wij met God kunnen verzoend worden. Tijdens de dienst werd een collecte gehouden, die bestemd was voor het Amerikaanse en Nederlandse reddingswezen. Het gaf ons toch nog enigszins het gevoel, dat het Zondag was. We voelden het als een behoefte aan om die dag toch nog op één of andere manier samen te komen. Helaas konden wij van de zaal geen gebruik meer maken, daar erdie avond bioscoop moest worden gehouden. We hebben echter aangedrongen op het scheppen van een gelegenheid, waar wij des avonds met de mensen, die niet naar de plaatsen der ijdelheid wensten te gaan, konden samenkomen.
We konden toen de beschikking krijgen over de speelkamer van de kinderen, die om negen uur, als de kinderen naar bed waren, tot onze beschikking zou zijn. We besloten toen daar samen te komen om met elkaar te zingen. In allerijl moesten wij iemand vinden, die in staat was om de Nederlandse psalmen op een piano te spelen, daar de man, die ons in de morgen aangewezen was om het psalmgezang te begeleiden, des avonds in de danszaal de dansmuziek spelen moest. Des morgens moest hij toch onder ons gehoor zijn. De Heere mocht het nog willen gebruiken om deze of gene, die in de blindheid van zijn bestaan voortleeft, de ogen nog te openen, daar Hij Zelf toch gezegd heeft: Werp uw brood uit op het water, en gij zult het vinden na vele dagen. We vonden onder de passagiers iemand, die zich beschikbaar stelde om ons van dienst te zijn.
Des middags hebben wij in onze hut een preek gelezen van wijlen Ds Barth over Hebr. 4 : 16. Met groot genoegen mochten wij deze zeer leerzame preek lezen en wij hebben met ons vieren, Mevr. Kersten, de heer Jorna, mijn Moeder en ik, de daarbij aangegeven psalmen gezongen. Al was dit kerkje maar klein, de Heere bevestigt toch Zijn Woord: aar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden.
We zijn des avonds met elkaar samen geweest. Telkens mocht iemand een vers opgeven. Dan een Nederlandse psalm of gezang, en dan een Engelse psalm. Na afloop hebben wij, Ds Clark en ik, Jesaja 43 gelezen. Deze samenkomst werd door mij gesloten met een gebed in het Nederlands, daar mijn Amerikaanse collega deze met gebed geopend had.
Daar er circa 50 mensen van diverse nationaliteiten aanwezig waren, dachten wij het goed om dit de andere avonden te herhalen. Wij hebben toen besloten om dit te doen en niet alleen te zingen, maar ook een kort woord over dezelfde tekst in de verschillende talen te spreken.
Maandagavond hebben wij toen gesproken over Johannes 3:3, waarin de noodzakelijkheid van de wedergeboorte gepredikt wordt. Dinsdagavond hebben wij gesproken over Matth. 6 : 19, 20 en 21 in verband met de vele emigranten, die aan boord waren. Het was of de Heere grote indruk schonk, want ik mocht met vrijmoedigheid spreken over de schat, die de mot en de roest niet verderven kunnen. De Heere schonk in Zijn grote goedertierenheid blijdschap in het aanprijzen van de dienst en de vreze des Heeren.
De laatste avond aan boord hebben wij gesproken over 1 Joh. 1 : 6—9. Die in de duisternis wandelen en zeggen dat zij God liefhebben, zijn leugenaars. Het behage de Heere om het aan boord gesprokene nog tot een eeuwige zegen te stellen.
Op deze wijze leerden wij verschillende mensen kennen uit verschillende landen, die evenals wij zich vreemd voelden temidden van zo veel goddeloosheid en zedeloosheid. Wonderlijk was de ontmoeting met een Duits
meisje, dat vóór een. half jaar uit Berlijn gevlucht was (uit de Russische zone) en dat met een heilige vrijmoedigheid spreken mocht over het werk Gods in haar ziel. Zij was zestien jaar, toen de Heere haar te sterk geworden was op een Baptistische samenkomst in Berlijn. Wat heb ik mij verwonderd, toen ik haar hoorde spreken over de wondere werken Gods. Nadat zij twee jaar gebogen gelopen had onder de druk van zonde en schuld, heeft het de Heere behaagd om de gezegende Naam van de Heere Jezus Christus haar dierbaar te doen worden. Wat zij van Christus spreken mocht, deed mijn hart opengaan en verwekte een zoete blijdschap in mijn hart. Zij vertelde ons, hoe temidden van de vele gevaren, die het leven in de Russische zone van Duitsland meebrengt, er ook daar nog gevonden worden, die geschreven zijn in het boek des levens des Lams, en hoe juist daar, waar de druk zo groot en de gevaren zo menigvuldig zijn, de genade Gods op meerdere plaatsen rijk verheerlijkt werd. Terwijl in het Amerikaanse deel van Berlijn overvloed van voedsel is, is daar ook een schrikkelijk vermenigvuldiging van de goddeloosheid, maar in die andere sector, waar men niet in vrijheid leven kan en elke dag het gevaar daar is om naar Siberië te worden gevoerd, wil de Heere nog met Zijn Geest werken. Met een grote gepastheid en een heilige vrijmoedigheid mocht dit meisje tegen de zonde, die aan boord bedreven wordt op velerlei wijze, getuigen.
Tot laat in de avond hebben wij over de gangen Gods mogen spreken en met een blijde ziel en verkwikt gemoed mocht ik die avond mij ter ruste leggen.
Woensdagavond kwamen wij in Halifax in Canada aan, waar circa honderdtwintig passagiers ontscheepten. De laatste avond, dat wij met elkaar mochten samen zijn, hebben wij elkaar toegezongen Psalm 134 : 3, zowel in het Nederlands als in het Engels. We hebben, na gebeden te hebben, van elkander afscheid genomen. Circa vijftig mensen w r aren het, die elke avond onze bijeenkomsten bleven bijwonen. Het waren wondere, en voor allen, die er bij tegenwoordig mochten zijn, onvergetelijke avonden. Donderdag 4 Februari om 3 uur (in Nederland was het toen al negen uur in de avond) kwamen wij in New York aan.
Machtig is de indruk, die de haven van Hoboken, de wolkenkrabbers van New York en het onbeschrijfelijk drukke verkeer op ons maakten.
Aan de pier ontmoetten wij Ds en Mevrouw Hegeman, die zo vriendelijk waren om ons te komen afhalen, en onze ouderling, de heer Spaans, die de grote reis van 1640 mijlen, d.i. ca. 3000 km, had afgelegd om ons namens de gemeente van Corsica aan de haven te verwelkomen. Mevrouw Kersten werd afgehaald door haar zoon en schoondochter, die erg verblijd waren hun oude moeder weer te ontmoeten. Tevens was Mr Cooper aan de haven, een diaken van de gemeente te Paterson, bij wie wij zullen logeren tot Maandag.
Zondag 7 Februari hoop ik in Paterson en Passaic in de dienst des Woords voor te gaan. Wij zijn dan eindelijk zo ver, dat wij in het nieuwe land zijn. Zo de Heere wil en wij leven, hopen wij Vrijdag 12 Februari bevestigd te worden en onze intrede te doen in Cox^sica. Door Gods grote lankmoedigheid zijn wij hier in welstand aangekomen, en wij hopen, dat de Heere ook verder Zijn Woord aan ons bevestigen zal. U Gode bevelend eix ons in al onze omstandigheden in uw gebeden bevelend, verblijft uw vriend, die u allen hartelijk groet,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1954
Daniel | 8 Pagina's