Rede van dhr. Kuyt
Als ambtsdrager in de valstrik
De heer Kuyt begint te zeggen, dat hij dankbaar is op een vergadering als deze het voorrecht te hebben, te mogen spreken tot de zonen van onze Gemeenten, de zonen van ons volk. Wij hopen te spreken over wat in het algemeen van belang is; spraken wij U persoonlijk dan zou dat ook meer persoonlijk zijn.
Dhr Kuyt trekt een parallel tussen ons volk en het volk van Irsaël.
Ook wij bezitten grote rijkdom, in milde overvloed heeft de Heere de middelen der genade gegeven. Voor Gods kinderen het bewijs, dat Hij zorgt voor Zijn Kerk. Ook hier hebben heidenen gewoond, was er het onen bijgeloof. Dat alles heeft de Heere opzij gezet en is er gehoord de zuivere klank van Zijn Woord.
Wij zijn als zonen onzer Gemeenten zo rijk bevoorrecht. De Heere schonk ons leraren, die ons wijzen op het ene nodige.
Het volk van Israël is door de Heere afgezonderd en Hij heeft hun priesters gegeven. En zowel aan Israël als aan ons volk heeft de Heere in Zijn Woord voorgehouden de zegeningen die Hij heeft geschonken.
Maar groot is de ondankbaarheid geweest en dat verwijt de Heere Zijn volk dan ook.
En zowel in het volk van Israël als onder ons. zijn er talloze middelen die ons willen losmaken van Gods zegeningen. Onze natuur, onze omgeving en nog veel meer werkt daaraan mee. Hier is bovenal zo nodig de bediening des Heiligen Geestes. Bidden wij daar wel eens om? om verlost te worden van de verleiding en van den boze.
't Is onder Israël de grote dwaling geweest — en het is onder ons ook de grote fout en dwaling in ons leven het buiten God te kunnen.
De Heere heeft, aldus spreker, Nazireërs verwekt. Zo'n dienstknecht was een getuige van de daad. Hij moest getuigen tegen de zonde van het volk. Hij was ambtsdrager door gelofte. Simson was het door bevel Gods. In zijn dagen was de nood groot.
Het was de taak van Israël de heidenen uit te roeien. Dit moest geschieden tot Gods eer.
Mozes had reeds aangewezen wie er uitgeroeid moesten worden. Het volk van Israël is daarin tekort geschoten. De heidenen zijn in en onder Israël blijven leven en tot een valstrik geworden van dat volk, die de Goddelijke opdracht niet of slechts ten dele had uitgevoerd. Nu wordt het volk verleid, maar ook verdrukt door volkeren, die uitgeroeid hadden moeten zijn.
Ontzettend, als wij de zegeningen des Heeren inruilen tegen het genot en de gunstbewijzen van de wereld.
Als Simson geroepen wordt is het erg gesteld. En in de machtige taak die op hem rust ligt een heenwijzing naar Christus.
Spreker schetst het leven en optreden van Simson, zijn zwakheden, zijn vleselijke lust en begeerte, maar door dit alles zijn optreden in de kracht Gods. Veel is er in hem, dat ons is beschreven ter waarschuwing, maar in veel is hij ons ook ten voorbeeld.
Simson w r ordt ook door spr. getekend als een type van zijn volk, die zo gemakkelijk met de heidenen konden omgaan. We zien dan ook Simson in zijn zwakheid als hij zich inlaat met een vrouw van Gaza en als hij later liefde opvat voor een Delila, die hem koelbloedig voor veel geld in handen speelt van de Filistijnse vorsten.
Zo is hij te Timnath gewaarschuwd voor de strik, te Gaza er in gekomen doch verlost, maar bij Delila er in gekomen en in handen van de vijand geraakt, als hij na veel overreding het geheim van zijn kracht prijs geeft. Hierin ligt een les voor ons. Als wij de voorrechten prijs geven, wat het zeggen wil gedoopt te zijn, de genademiddelen te mogen hebben, dan geven wij zo ontstellend veel prijs. Want de mogelijkheid tot zalig worden ligt niet buiten de middelen.
En zoals de Filistijnen feest vieren, doet het ook de wereld als een jongen of meisje opvoeding en belijdenis vaarwel zegt.
Nog eenmaal wil Simson ambtsdrager zijn en op zijn gebed geeft God hem de kracht om de laatste daad te doen.
Ondoenlijk in een verslag als dit alles weer te geven. Het was een prachtige rede, die met onverdeelde belangstelling werd gevolgd. Een grote en leerzame bespreking volgde er op.
Nadat de voorz. woorden van hartelijke dank had gesproken tot dhr Kuyt verzocht hij deze de morgenvergadering te willen eindigen met dankzegging, waaraan deze voldeed, doch nadat eerst een vers was gezongen uit Ps. 80.
De middagvergadering
De middagvergadering werd aangevangen met gemeenschappelijk zingen van Ps. 69 : 13 en 14.
Het was wel een zeer actueel onderwerp, wat in de middagvergadering werd behandeld door de Weledele Heer H. Rijksen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1954
Daniel | 8 Pagina's