LANGDURIGE VOORBEREIDING
Op weg naar de heidenwereld.
Er kunnen dagen in het leven van iemand zijn, waarop een beslissing valt, die de richting van het verdere verloop van dat leven bepaalt. Zo'n dag was 22 September 1821 voor Johann Frederik Riedel. Hoe zou zijn leven verlopen ? Zou hij kleermaker blijven of zou hij evangelieprediker worden onder de heidenen? Het zou alles afhangen van de beslissing die de oude Jaenicke geven zou na de kennismaking. Riedel staat op de stoep van het huis van de man, die in heel Berlijn bekend is, ja wiens naam genoemd wordt in geheel Duitsland. Jaenicke was de man, die jongelingen opleidde tot zendelingen.
Als Riedel op de stoep wacht tot hij zal binnen gelaten worden, is er in zijn hart de bede: „Ik ben het niet waardig, Heere Jezus, een bode van U en Uw heil in de heidenwereld te zijn, maar maak Gij het mij, zoals het U behaagt." Even later staat de jongeling voor de 73-jarige leraar. Spoedig zijn die twee in een diepgaand gesprek gewikkeld en als dat een poos heeft geduurd, zegt Riedel: , , Ik gevoel het Eerwaarde Heer, hoe zwak ik nog in het geloof ben. Ik ben wel niet geschikt om in de wijngaard des Heeren te arbeiden." Maar wat slaat Frits ogen op, als hij Jaenicke hoort zeggen: „Ik mag u niet afwijzen, jonge man, want ik bemerk, dat de Heilige Geest zijn heerlijk werk aan uw hart heeft aangevangen. Ge kunt niet dadelijk worden opgenomen, want alle plaatsen zijn bezet in het zendingshuis, maar zoek eerst hier werk en w r acht bedaard de tijd af, waarop de Heere u een deur zal openen."
Het volgend jaar October werd Riedel leerling van de kweekschool voor zendelingen. Reeds 22 jaren bestond die school, die tot nu toe door vrijwillige liefdegaven in stand was gehouden, maar nu voor het eerst een jaarlijkse toelage kreeg van 500 Pruisische daalders, door toedoen van koning Frederik Wilhelm. In verscheidene vakken kregen de studenten les. Eerst moest de Engelse taal geleerd, waarna het Latijn, Grieks en Hebreeuws aan de beurt kwamen. Veel zorg werd besteed aan de Schriftverklaring. Vervolgens ontvingen de kwekelingen les in geloofsleer en in het maken van preekschetsen. Het grootste gedeelte van het onderwijs had Jaenicke vroeger zelf gegeven, maar nu lieten zijn afnemende krachten dat niet meer toe. Wel hield hij geregeld samenspraken met de leerlingen op zijn studeerkamer. Deze samensprekingen werden steeds met gebed besloten en van deze bijeenkomsten ging voor de kwekelingen nog meer kracht uit dan van al het wetenschappelijke onderricht. Het laatste studiejaar werd voornamelijk gebruikt om zich te bekw r amen in het prediken. De oude leraar stond dan aan de voet van de kansel, met de schets van de preek in de hand, om zo nodig te helpen als het preken niet erg wilde vlotten.
De studietijd op de kweekschool was vijf jaar, en hoe dichter Riedel aan het einde kwam, des te meer gevoelde hij de roeping om te gaan arbeiden in de heidenwereld. Juist toen de opleidingstijd ten einde was, kwam er een aanvrage van het Rotterdams Z.G.-schap om twee geschikte mannen voor de zending. Met volle vrijmoedigheid kon Jaenicke twee personen aanwijzen, namelijk Riedel en Schwartz. Het was het laatste werk van de zendingsleraar geweest. Heel kort daarop stierf hij in de armen van Riedel, de 2lste Juli 1827.
Het was een talrijke lijkstoet die door de straten van Berlijn trok. Slechts zelden kon men zoiets in de Duitse hoofdstad aanschouwen. De lijkkist werd afwisselend gedragen door twaalf studenten, twaalf jongelingen van de Boheemse gemeente en twaalf zendeling-kwekelingen. Voorop liep Riedel met een Bijbel, gelegd op een zwart fluwelen kussen. Dit was een teken, dat de ontslapene zijn leven had gewijd aan het Woord van God.
De twee studenten verlieten nu Berlijn om zich naar Rotterdam te begeven. Ze deden dit vla de woonplaatsen van hun familie. Riedel begaf zich dus naar Erfurt, zijn geboorteplaats. Wat een blijdschap voor zijn moeder: haar zoon was in tien jaar niet meer thui3 geweest! Enkele weken bleef Riedel in de ouderlijke woning en zat ook weer op zijn oude plaatsje in de kerk, waar hij naast zijn grootvader zat. Na de Kerstdagen begon de reis naer de Maasstad. In die tijd was een reis van Erfurt naar Rotterdam heus geen kleinigheid. Zo'n reis geschiedde met de postwagen. Het was midden in de winter en zo gebeurde het vaak, dat de wagen in de sneeuw bleef steken en dat de raampjes van het portier met ijsbloemen waren bedekt. De koetsier was een ruw man, en wanneer het niet naar zijn zin ging, sloeg en vloekte hij op de paarden. Dat kon Riedel niet uitstaan en elke keer als de man vloekte, kreeg hij de vrijmoedigheid om de voerman te bestraffen.
Eindelijk werden de torens van Rotterdam zichtbaar. Wat had de reis toch lang geduurd! Maar nu kwam het einde toch van de tocht. Riedel slaakte een zucht van verlichting toen de postkoets de Goudse poort binnenreed: „God zij lof en dank! Weer een grote stap nader aan mijn doel!"
Ruim een jaar woonden de vrienden Riedel en Schwartz nu in bij de spiegelmaker Oudshof f, waar ze dc Hollandse taal leerden en zich gingen bekwamen voor het eindexamen.
Op 21 September 1829 had het onderzoek plaats voor de Commissie te 's-Gravenhage en de 22ste September (weer die belangrijke datum) volgde hun aanstelling. Een maand later scheepten Riedel en Schwartz zich in op het zeilschip „De jonge Adriana", dat ze naar hun arbeidsveld zou voeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1954
Daniel | 8 Pagina's