JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Opgravingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opgravingen

7 minuten leestijd

Over de doden en hun graven. 2.

OUDE GRAVEN

De ontdekking van oude graven is van groot oudheidkundig belang, omdat het vaak de gewoonte was bij de oude Kanaanietische, heidense bevolking, hun doden allerlei voorwerpen en voedsel mee te geven voor de lange reis naar een voor hen onbekende bestemming. Wanneer de slaap der doden nu nimmer werd gestoord, zijn goede vondsten niet zeldzaam, vooral in de graven der meer gegoeden. Ook na de dood duurt hier het verschil tussen rijk en arm in uiterlijke schijn nog voort. Terwijl we in de graven der rijken eet-en drinkschalen, wapenen en opsmuk vinden, werd de arme, indien hij al een begrafenis ontving, op de eenvoudigste wijze in de grond gestopt.

We zouden nu lange rijen van steden kunnen opnoemen, waar graven gevonden zijn. Het aantal, dat echter bij nauwkeurige opgravingen gevonden is, staat niet in vergelijking tot het aantal mensen, dat in een dergelijke plaats geleefd heeft. Eensdeels vindt dat zijn oorzaak in het veelvuldig voorkomen van lijkverbranding door de oude heidense bevolking. Het feit, dat er ook zeer w 7 einig graven van de Israëlietische bevolking met resten van beenderen gevonden zijn, zal als geheel moeten worden toegeschreven aan de vergankelijkheid van het stof. Als in onze moderne maatschappij, ondanks ieders afzonderlijke en piëteitvolle teraardebestelling, van minstens 90 % der bevolking na minder dan 100 jaar niet het geringste spoor meer te vinden is, kan het ons niet verwonderen, dat de primitieve graven de eeuwen niet hebben overleefd.

De grafkamers in de rotsen en onderaardse gewelven moeten in het algemeen meer voor de gegoeden der samenleving gereserveerd zijn geweest, want het aantal van deze plaatsen was te beperkt om te dienen

voor algemene begraafplaats. De gewone man zal spoedig na zijn verscheiden in de grond zijn gestopt langs de weg en op het veld. Dergelijke graven ontdekt men althans bij de opgravingen nog wel, zelfs binnen de oude stadsmuren, dikwijls onder de vloer der woningen. Tiberias was door Herodes Antipas gebouwd op de puinhopen van een oude stad, dus ook op de oude graven. Daarom was deze stad ook een gruwel voorde orthodoxe Joden en uitleggers kunnen aantonen, dat Christus er nooit een voet in heeft gezet.

D e gevonden graven overziende, kunnen we opmerken, dat er een regelmatige ontwikkeling valt op te merken in de vorm van de gebruikte graven.

Vormen en graven.

3. De oudste inheemse bevolkingvan Kanaan heeft de door de natuur gevormde rotsholen of spelonken als zodanig gebruikt. (Spelonk v. Machpela).

2. Voor het tweede bronzen tijdvak is typerend het schachtgraf. Hierbij vormt een vertikaal in de bodem gedreven schacht de toegang tot de daaronder gelegen rotskamer, die zich spoedig uitbreidt tot een leeg middenvertrek met zijwaartse toegangen tot de eigenlijke begraafruimten.

3. In het laat bronzen tijdvak treffen we daarnaast het gebouwde, gemetselde aan. Door een diepgang van de bodem midden in de grafkamer ontstaan langs de wanden de rustbanken, waarop in later tijden de doden steeds worden uitgestrekt, terwijd ze oorspronkelijk op de rotsbodem werden neergelegd.

4. Na de ballingschap komen in gebruik de „kokim of pijpenissen, die horizontaal in de wand zijn uitgehouwen. Aangezien het niet steeds mogelijk was, nieuwe kokim aan te leggen, werden de laatste overblijfselen der lijken niet zelden daaruit verwijderd en in kleine kistjes op de bodem der grafkamer verder bewaard. Hebreeuwse opschriften zijn hierop niet zeldzaam. De onderaardse verblijven groeien dikwijls uit tot een zeer ingewikkeld complex van gangen en grafkamers.

Naast de genoemde algemene vormen komen ook nog bijzondere vormen voor, zoals

1. Anthropoïede sarcophagen. Ze zijn van gebakken kleiaarde en vertonen op de buitenzijde aan het hoofdeinde de afbeelding van een menselijk gelaat met de sterk verkleinde armen samengevouwen onder de kin. Algemeen worden deze graven toegeschreven aan in Kanaan gestorven Egyptenaren.

2. Dolmengraven zijn in de grond uitgegraven kisten, waarvan de bodem en de zijwanden zijn afgedekt met stenen, terwijl, nadat het lijk er in was gelegd, ook bovenop een rij stenen werd gelegd. De afmetingen van deze graven zijn zeer klein, 70 x 30 x 50 cm. Toch waren het geen kindergraven, wat blijkt uit de gevonden skeletten. Zoals uit de ligging van enkele povere resten blijkt, werd het dode lichaam hier rechtop in het graf gezet en daarna in elkaar geduwd, tot het geheel in de nauwe ruimte verdween. (Hockerstellung, waarover straks meer). Vaak zijn deze miniatuurgraven in series aangebracht en konden blijkbaar dan een hele familie bevatten.

Da anthropoïede sarcophagen en de dolmengraven zijn voorbeelden van enkelgraven, waarby aan iedere dode een eigen ruimte werd afgestaan. De graven der grote Kananese en Israëlietische neercpolen zijn steeds massagraven. In Jericho b.v. vond men zo'n graf, waarin meer dan 300 lijken waren neergelegd. Waar men de doden eenvoudig op de rotsbodem neerlegde, was het natuurlijk gebruikelijk van tijd tot tijd de ontvleesde skeletten terzijde te schuiven om plaats te maken voor nieuwe begrafenissen.

Dc houding der Joden.

Een vaste lijn valt niet aan te wijzen in de houdingen, waarin de doden werden weggelegd. De houding is meestal willekeurig. Soms vindt men graven met doden in gestrekte houding, elders vindt men weer gekromde en gestrekte door elkaar. Een uitzondering op deze willekeur vormen de lijken in de hierboven reeds genoemde z.g

Hockerstellung (= hurkende houding.)

Deze lijken hebben de knieën hoog opgetrokken tot aan de kin, het hoofd meestal neergebogen en de hielen zo dicht mogelijk tegen het bekken gebracht. Ook buiten Palestina komt deze dodenhouding op talrijke plaatsen voor, zodat men in deze manier van begraven waarschijnlijk een bewust en aan een bepaalde gedachte verbonden gebruik moet zien, een algemene menselijk idee moet hieraan ten grondslag liggen. Uit de verschillende verklaringen, die er door geleerden van gegeven zijn, lijkt ons deze de beste, dat men er in zou zien een uitbeelding van het terugkeren van het menselijk lichaam, dat de levensloop voltooid heeft, tot de houding in de moederschoot. Symbolisch keert de mens na dit leven terug in de schoot van moeder Aarde, wat het

lichaam betreft dan „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren."

Versiering van de graven was, voor zover men heeft kunnen nagaan, niet gebruikelijk, net zo min als men zijn woning versierde. Eerst veel later komen beschilderingen der grafwanden in gebruik, evenals het aanbrengen van grafschriften.

Wel was het bij de oude heidenen in Kanaan gebruikelijk, de doden van alles op hun reis mee te geven. Men ging daarbij blijkbaar uit van de veronderstelling, dat de overledene in het graf nog behagen kon scheppen in de snuisterijen, die hem het leven veraangenaamd hadden, dat hij behoefte zou hebben aan spijs en drank en dat eventueel zelfs zijn wapenen hem nog van dienst zouden kunnen zijn. In een graf in Jericho vond men 500 stuks aarden kruiken. In Gezer schijnt een dode zelfs een heel schaap te hebben meegekregen. Aarden lampjes komen zo talrijk uit de graven te voorschijn, dat men de ontwikkeling van dit instrument thans kan vervolgen vanaf het nauwelijks voor zijn doel gemodeleerde open schaaltje tot de meer praktische vorm met scherp toegeknepen bek voor de oliepit en de stevige voet, die in het Israëlietische tijdperk in gebruik was en de bijna geheel gesloten vox*men uit de hellenistische tijd. In deze tijd werden van voedselvoorraden, geen sporen meer gevonden in de graven, maar wel meer zalf-en reukwerk.

Deze voorwerpen wijzen ons terug naar het land der levenden. Maar voor ons zal ook eens het graf gedolven worden. En dan komt een ogenblik, dat al die graven, de onzen, maar ook die hele ouden, weer open zullen gaan.

„En ik zag een grote, witte troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geep plaats is voor die gevonden.

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken;

En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hunne werken.

En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs; dit is de tweede dood.

En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. (Openb. 20 : 11—15).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1954

Daniel | 8 Pagina's

Opgravingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1954

Daniel | 8 Pagina's