Kerkgeschiedenis
De Godsdienstvrede van Augsburg. 1555. In ons artikel van 25 Dec. j.1. noemden wij reeds enige bepalingen van deze vrede. Hierbij voegen wij nu het „Kerkelijk Voorbehoud" (Reresvatum ecclesiasticum).
Er waren bisschoppen, die ook wereldlijke macht bezaten.
Werd zulk een bisschop protestant, dan bleef het gebied toch rooms, terwijl hij zelf ambt en de aan dat ambt verbonden territoriale bezittingen en inkomsten verloor. Er konden echter in zulke roomse gebieden stenden (ridders, steden, gemeenten) zijn, die al jaar en dag luthers waren.
Voor deze gaf 's keizers broer Ferdinand een afzonderlijke verklaring (de declaratio Ferdinandeo), dat zij in die gebieden „geduld" zouden worden. Dat klonk voor de Luthersen echter niet fraai.
„Alles met elkaar", schrijft Dr Berkhof tereent, „nebben de Luthersen niet gekregen, waar hun sterkte hun recht op gaf.
Er bleef na Augsburg nog veel te beslissen over. Deze vrede was tegelijk de kiem van een nieuwe oorlog."
Wij achten goed, te wijzen op het feit, dat in dit jaar Karei V afstand deed van de regering en in Duitsland (Oostenrijk) werd opgevolgd door Ferdinand (Oostenrijkse tak van het Habsburgse huis), in de spaanse bezittingen door Philips II (spaanse tak van het Habsb. Huis.
Het laatste is voor onze lagelandcn zeer belangrijk geworden, omdat de heldenstrijd voor onze vrijheden en de zuivere religie ons volk een calvinistisch stempel zou indrukken.
Het areaal van het toenmalig Lutheranisme. H|et verspreldmgs gebied besloeg, behalve Duitsland, de Oostzee provincies en de Scandinavische landen.
In onze landen zou het Calvinisme zich ontwikkelen in de vorming van een kern, die met taaie volharding haar positie zou handhaven en alle levenskringen onder zijn invloed brengen.
Alvorens echter tot de behandeling van dit Calvinisme over te gaan, dienen wij een geestesstroming te beschouwen, die neven de Reformatie opkwam.
HET ANABAPTISME
Het is misschien niet gemakkelijk zich een heldere voorstelling te vormen van deze geestesrichting, die naast Lutheranisma en Zwinglianisme optrad. In onze kerkhistorische werken komen voor de namen Dopers, Dopersen, Wederdopers, Anabaptisten, Doopsgezinden. Toch mene men nu niet, dat men onder Anabaptisme een éénkleurige beweging moet verstaan.
„Deze beweging is een bont mengsel van ideeën" (Berkhof). Indien dus iemand voor „dopers" wordt uitgemaakt, wil dit niet zeggen, dat hij alle wezenstrekken van het Anabaptisme vertoont.
Een voorbeeld hiervan zijn de Doopsgezinden, die toch hemelsbrood verschillen van de Wederdopers van Munster, van wie wij hierna horen zullen. Als iemand alle nadruk op de dingen des geestelijken levens legt en die van het aardse leven niet telt of althans niet onder het gezag van 's Heeren Woord brengt, wordt hij „dopers" genoemd.
Het zal dus wel nodig zijn enige wezenstrekken aan te geven, waaraan dit Anabaptisme te herkennen is.
Oorsprong der beweging. Het is te begrijpen, dat men naar die oorsprong ijverig gespeurd heeft. Landwehr vermeldt in zijn Kerkgeschiedenis (dl. ITI), dat sommigen hen als zonen der Reformatie beschouwen, maar dat deze hun niet radicaal genoeg was.
Anderen menen, dat het Anabaptisme door de Reformatie wel meer tot openbaring is gekomen, maar haar oorsprong heeft in de Middeleeuwen. Zij is dan wel geen voortzetting van een middeleeuwse secte, maar vertoont toch enkele kenmerken van het godsdienstig leven der 15e eeuw.
Eén zaak dienen wij goed vast te houden: dat niet de Reformatie de oorzaak der beweging is, maar wel door de tegenstand van deze en ook die van Rome haar geestesgesteldheid en werkwijze sterker tot openbaring kwam. (t.a.p.)
Karakter van het Anabaptisme. Meestal wordt dit vastgeknoopt aan de doop en toch is dat niet het eigenlijke punt; deze doop komt pas in de 2e plaats. Het eigenlijke is de vorming van een gemeente van wedergeborenen (verg. o.m. de Labadie in de 17e eeuw.)
Hij alleen werd toegelaten, die betoonde geloof bezitten en daarop gedoopt werd. te
Hieruit volgde, dat de kinderdoop werd afgewezen en alleen de volwassenendoop voorkwam. Als bron van de kermis der Waarheid gold voor de Anabaptisten tweeërlei Woord: het uitwendige Woord, d.i. de Heilige Schrift, maar ook het inwendige Woord, te vinden in de door de Heilige Geest verlichte conscientie.
Men verwarre dit laatste toch niet met onze leer van het getuigenis des Heiligen Geestes in het hart! Dit is heel wat anders. Woord en Geest mogen niet gescheiden worden. Wie met dit zg. „inwendige Woord" werkt, komt op zeer gevaarlijke doolwegen.
Hun gemeenten waren ingericht als die der Apostelen. De broederlijke liefde moest betracht worden en zo mogelijk was er gemeenschap van goederen. Bekend is, dat zij niet geloofden, dat Christus Zijn menselijke natuur uit Maria aangenomen had, maar onmiddellijk uit de hemel meegebracht had. Zij moesten zich ver houden van de wereld en mochten met onwedergeborenen niet omgaan.
Sterk was bij hen de beoefening der wettische heiligheid naar de regel — zoals zij meenden — der Bergrede. Die heiliging was geheel eigen werk.
Men kan dit wel begrijpen. Zij waren immers volgens hun zeggen wedergeboren. Hun natuur was echter geen herschepping, maar een nieuwe schepping, die door eigen kracht heilig, ja zondeloos leeft. Zij weigerden het afleggen van de eed, het bekleden van ambten, het gebruik van wapenen.
Ziet daar enige van hun beschouwingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 februari 1954
Daniel | 8 Pagina's