Zending in de Minahassa
EEN GROTE OMMEKEER
Enkele weken na zijn herstel had Riedel al ondervonden hoe moeilijk bet was om zijn gelofte te vervullen. Zijn leven zou aan God zijn toegewijd, zo had hij immers beloofd op zijn ziekbed. Wat was hij al gestruikeld! Dc wereld kwam steeds maar met nieuwe verzoekingen. Jongelingen van zijn leeftijd bespotten hem. , , Hei daar, Erfurter broeder", riepen ze op zekere dag, toen ze juist hun weekgeld hadden ontvangen, , , laten we samen een kruik bier drinken. Dat zal kracht geven aan je dor gebeente." Riedel antwoordde niet en daarom riep er één: „Och, laat het maar, deze Erfurter heeft weer zijn stomme dag." Ze lieten Riedel lopen en zij gingen in een kroeg om een gedeelte van hun weekloon te verbrassen. Riedel had gezwegen die dag zoveel hij kon, maar in zijn hart waren onbetamelijke gedachten opgeweld, gedachten van toorn tegen de plaaggeesten, 's Avonds werd hij gewezen op het boze hart. Hij had wel gezegevierd over zijn tong, maar niet over zijn hart, die vuile bron van wanbedrijven. Zuchtend sprak hij: „Alweer één dag verloren voor mijn heiligmaking." Inplaats van een deel van zijn weekloon te verdrinken, gaf hij een grote aalmoes aan een arme blinde man. En nu zou hij gaan bidden voor het naar bed gaan. Het waren van buiten geleerde gebeden die hij probeerde op te zeggen, en wonderlijk, daar hapert hij nog bij. Hij poogt verder te gaan, maar het gaat niet meer. Hij staat op van zijn knieën en neemt een boek. Ook daar kan hij niets bizonders in vinden. Het boek wordt weggelegd en zuchtend spreekt hij: „Nu kan ik ook niet meer bidden." Hij besluit tenslotte naar bed te gaan, maar tot middernacht ligt hij wakker. Wat moet hij doen om zijn zondige natuur te overwinnen en hoe kan liet werk der heiligmaking voortaan beter lukken? Zo vraagt hij zichzelf af. Bidden kan hij niet meer, maar stond er niet geschreven, dat we moeten bidden en vasten? Ja, dat zal hem nog ontbreken. Hij zal moeten vasten en als hij dat doet, dan zal het bidden ook weer wel gaan.
Het verzwakte lichaam, dat voedzame spijs zo van node had, werd nu een paar keren in de week gekweld door het vasten. En wat het bidden betreft: meermalen lag hij een half uur geknield voor zijn bed. Het is geen wonder, dat zijn kameraden zeiden, dat Riedel gek was geworden.
In September van het jaar 1818 ging hij Liegnietz verlaten. Twee zaken vooral dreven hem weg: de spot van zijn makkers, maar meer nog de onrust van binnen. Het vasten en bidden hielp niets. Van binnen klonk het maar steeds, dat hij een verlorene was. O, ontmoette hij toch maar eens iemand, die het op de weg der heiligmaking verder had gebracht. Waar moest hij zijn? Hij besloot naai' Breslau te gaan. Waarom, dat wist hij ook niet. In Breslau vond hij gelukkig werk en wat meer is, hij vernam, dat er een vereniging van Christenen was, die ook in de week bijeen kwam. Daar zou hij zijn licht eens gaan opsteken. Hij kwam in een ruime zaal, waar de plechtige stilte die er heerste op zijn gemoed diepe indruk maakte. Onder het bidden bemerkte hij tot zijn vreugde, dat hier mensen bijeen waren, die hetzelfde gevoelden als hij. Toen werd er gezongen „Jezus neemt de zondaars aan, roept dit troostwoord toe aan allen, die van 's levens rechte baan op een dwaalweg zijn vervallen " Riedel werd gegrepen in zijn ziel. Hij wist niet meer hoe hij het had. Nu werd een preek gelezen die handelde over de rechtvaardiging uit genade alleen door het geloof. Het hart van de jeugdige Riedel werd op een wonderlijke wijze verkwikt. Er daalde iets in zijn hart, dat er nog nooit geweest was en dat hij nooit meer zou willen missen. Nu pas ging hij uitzien naar de Christus der Schriften. Bij zichzelf kon hij niets anders vinden dan zonde en
schuld, maar bij Christus was een geopende fontein van alle goed.
Die 22ste September 1818 heeft Riedel nooit meer vergeten. Toen was de grote ommekeer gekomen in zijn leven. Nu had hij de weg mogen zien die naar het leven leidt en vanaf die tijd werd hij een zoeker niet in eigen kracht, maar door de trekkende liefde van God.
Nu werd hij een trouwe bezoeker van de bijeenkomsten. Als hij gezond was miste hij nooit. En met zijn gezondheid ging het steeds beter worden.
De vrienden, waarmee hij nu op en neer ging, baden ook geregeld voor de millioenen blinde heidenen, die zonder God in de wereld leven en in de duisternis wandelen. Riedel bad dar? steeds met heel zijn hart mee. En hoe langer hoe meer werd zijn blik op de heidenw r ereld gericht, en toen een jonge man uit Berlijn afkomstig en die ook de vergaderingen bezocht, vertelde van de werkzaamheden van Jaenicke, toen werd in het hart van Riedel de wens geboren om zich aan de zending toe te wijden. Niets zou hem kunnen afschrikken. Hij zou dan ook naar Berlijn moeten. Biddend bracht hij zijn wens voor de Heere, of Die de weg zou willen banen.
banen. Drie jaren na zijn grote ommekeer verliet Riedel het onvergetelijke Breslau om via Berlijn, met Gods hulp, te komen op het zendingsterrein.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1954
Daniel | 8 Pagina's