Vaderlandse Geschiedenis
Het jaar 1580. Philips II zag met lede ogen aan, hoe de gehate nederlandse opstandelingen op handelsgebied een vlucht namen, die hun rijke inkomsten verschaften en daardoor tevens middelen om hun vrijheidskamp voort te zetten.
Wat lag meer voor de hand dan die vrachtvaarders, die de spaanse en portugese havens bezochten, dit eens voor goed te beletten?
Voor de zoveelste keer beging de koning een dwaasheid, die juist het tegendeel bewerkte van wat hij bedoelde; die van onze vrachtvaart wereldhandel maakte. Het leek hem een uiterst voordelig plan Portugal te veroveren, de hollandse schepen in beslag te nemen en zo de dreiging af te wenden dat die piraten zich ook in de Indiën zouden nestelen.
Zijn raadslieden zagen echter het funeste er van maar al te goed in en raadden het hem sterk af. Zij waarschuwden hem voor het bemoeilijken van die ondernemende kooplieden. Zaten zij al niet in Archangel aan de Witte Zee; waren zij al niet de Straat van Gibraltar gepasseerd? Het verdrijven van hen uit de spaanse en portugese havens zou hen niet verlammen, al verrler maar de oceaan opdrijven, ook naar cle Indiën, om nieuwe wegen, nieuwe handelsgebieden te zoeken.
Maar Philips luisterde niet naar goede raad. In 3 580 werd Portugal door Alva veroverd en 5 jaar later sloeg" de koning toe. Onze schepen gingen aan de ketting, de ladingen werden verbeurd verklaard en het scheepsvolk kwam in de gevangenis terecht, zo niet erger.
Het ging prompt, zoals de spaanse raadslieden voorspeld hadden.
De voortdurende overlast gmg onze kooplieden danig vervelen. En wat lag meer voor de hand, dan dat zij probeerden zelf in Indië en Amerika de waren te halen ? Daarvoor w r as natuurlijk nodig bekendheid met de weg er heen.
Die bekendheid viel nog al mee. Vóór 1580 maakten de Spanjaarden bij hun reizen het liefst gebruik van Nederlanders en deze hadden de ogen niet in de zak; ze maakten aantekeningen, die te pas konden komen. De Spanjaarden moesten niets van portugees scheepsvolk hebben uit vrees voor concurrentie. Ook de indische route was ons geen onbekende. Velen hadden op de portugese schepen de tocht bij herhaling gemaakt.
Vooral is bekend geworden de Haarlemmer Jan Huygen van Linschoten een expert in Indië-i'eizen. Hij gaf in 1593 zijn gemaakte aantekeningen uit, die de merkwaardige naam droegen van: , , Reys-Geschrift van de Navigatiën der Portugalaysers" (= Reisgeschrift van de scheepstochten der Portugezen.)
Natuurlijk is het te begrijpen, dat het bevaren van de zeeweg naar Indië nu niet bepaald aanlokkelijk was. Spanje, toen een zeemogendheid, doorkruiste met zijn oorlogsschepen de oceanen en zou niet dulden, dat de gevreesde concurrenten op hun baan verschenen.
Onze kooplieden zaten echter niet gauw voor één gat gevangen.
Er waren nog 3 mogelijkheden, zo meende men om in Indie te komen.
le. langs het N.W., om Noord-Anierika vaart heen)_ (N.W. cloor
2e. langs het Z.W., om Kaap Hoorn heen;
3e. langs het N. van Europa en Azië.
Balthasar te Moucheron (zie vorig artikel) voelde het meest voor de laatstgenoemde route. Die was korter en veiliger. Daar had men geen last van speurende vijanden en de beroemde cartograaf Mercator had op grond van mededelingen van ontdekkingensreizigers een kaart ontworpen, die aantoonde, dat daar een open zee was en de kustlijn zich spoedig Zuidwaarts boog. Bij het Waaigat (Waigatsj) kon men de toegang tot de Karazee verdedigen.
Ook de amsterdamse predikant Plancius, zeer bekwaam aardrijks-en sterrenkundige (hij gaf zelfs lessen aan zeelieden) vestigde de aandacht op die weg.
Kortom: het was te onderzoeken.
't Zou echter wel een beetje anders uitkomen dan men dacht. Alleen de nederlandse ondernemingsgeest zou triomfen vieren.
I)e tochten bij Noorden om.
De Moucheron deed een voorstel. Na overleg met Maurits. Oldenbarneveldt, admiraal Duivenvoorde en nog een paar heren, stelde hij aan de Staten van Holland en Zeeland voor om langs het Noorden de weg naar Indië te zoeken.
Hij zou 14 van cle kosten voor zijn rekening nemen, maar — onze beste man bleef toch altijd koopman (de cost gaat voor de baet) - -dan moest hem bij welslagen % van de in-en uitvoerrechten op de waren, die langs die route vervoerd werden, uitbetaald worden.
De Staten gingen er echter niet op in. 'Men bleef natuurlijk niet stilzitten.
De eerste tocht had plaats in 1594. Een 3-tal schepen zou het bepi'oeven. Een was uitgerust in Amsterdam, een in Enkhuizen terwijl de Moucheron met enige van zijn vrienden het derde voor rekening had genomen.
De bekende Linschoten en de Terschellinger Willem Barents, beiden zeer ervaren zeelieden, hadden de leiding.
Werkelijk vond men bij straat Waaigat, achter Nova-Zembla open water, maar gebrek aan levensmiddelen noodzaakte hen terug te keren.
Een jaar later zonden Holland en Zeeland er een vloot van 7 schepen op uit. Deze trok door het Waaigat de Karazee binnen, maar moest door de hevige stormen, ijsbergen en ijsschotsen. waardoor deze zee ook nu nog zeer gevreesd is, terugkeren.
De Staten van Holland en Zeeland trokken zich nu van de onderneming terug.
Maar de Staten-Generaal loofden ƒ 25.000 uit voor het vinden van de route.
P. J. LAMORé
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 januari 1954
Daniel | 8 Pagina's