JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KLAAG- EN TROOSTREDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KLAAG- EN TROOSTREDE

4 minuten leestijd

WILLEM SLUITER 1627 — 1673

Al te lang hebben we stil gestaan bij de predikantdichter uit de Achterhoek, maar we kunnen moeilijk van hem scheiden zonder iets gezegd te hebben over het verlies van zijn vrouw.

Slechts twee jaren is Sluiter in de echt verbonden geweest: na de geboorte van het tweede kind ging het met zijn vrouw niet goed en enkele weken later volgde de dood. Hierover schreef de jonge weduwnaar een ontroerend gedicht en wel van 600 regels. Het zou heus de moeite waard zijn, het gehele gedicht te lezen. Wij kunnen er hier en daar maar enkele dingen van aanstippen.

Als motto gebruikt de dichter: e dood scheidt ziel en lijf, Zo scheidt z' ook man en wijf. En dan volgt de bekende tekst uit Prediker 7 : 2 „Het is beter te gaan in het klaaghuis dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart."

Sluiter gaat dan eerst zeggen, dat een groot verlies hem heeft getroffen toen zijn vader stierf, maar het verlies dat hij nu heeft noemt hij het zwaarste kruis. Hij vangt het gedicht dan ook aan met woorden die niet overdreven zijn:

Hoe komen mij de wolken, na de regen, Zo zwart en dik, met plassen neergezegen! O zee van ramp: o bi^akke tranenvloed, Waarin ik zwem, en schier verdrinken moet!

Hij noemt zijn vrouw

Mijn troost, de lust en luister van mijn ogen, Mijn best juweel, wie zal mijn tranen drogen? Mijn enig lam, dat rustte in mijn schoot, Wordt mij ontnikt door d' al te strenge dood. Zo jong een spruit, van vier en twintig jaren, Begeeft mij weer, ach, na haar tweede baren, En weinig na twee jaren in ons Eei) O korte vreugd, gekeerd in zo veel wee!

Het was een beste vrouw voor Sluiter geweest. Met raad en daad had ze haar man bijgestaan en ze had het heel goed naar haar zin in Eibergen. Ze zou het kleine plaatsje niet voor een grote stad hebben willen verwisselen. Het voornaamste was echter, dat ze godvrezend was:

In al haar doen bleef God haar doel gedurig. Zij schikt het al om toch te blijven vurig In 's Heeren werk. Zij las, zij bad, zij zong, Zelfs als de nood haar ander werk opdrong.

Nu is het genoegelijke leven uit en de predikant blijft met twee kleine kinderen, die de moeder nooit zullen kunnen heugen, achter. Geen wonder dat de dichter zegt:

Gelijk weleer Gods volk aan Babels stromen, Haar harpen ophing aan de wilgebomen, Omdat haar lust veel meer tot wenen was; Zo ligt al mijn muziekwerk nu in d' as.

Toen haar vader begraven werd, was ze ook nog aanwezig, niettegenstaande haar zwangerschap. Ze werd vermaand om in 't vervolg maar thuis te blijven, da.ar

ze op het laatst van haar dagen gekomen was. Daar wilde ze echter niets van weten:

O neen, sprak zij, 'k heb innerlijk begeren, Met ons gemeent' het Avondmaal des Heeren Te houden, zo mij God maar zolang spaart, En ben ik voor geen nood of dood vervaard.

Ze gaat naar het Avondmaal, maar daarna kan ze ook geen voet meer gaan.

Zij riep: Hoe heeft de Heere mij verhoord! Juist willen nu mijn benen niet meer voort. Zo 'k gister waar zo zwak geweest als heden. Ik had tot aan de kerk niet kunnen treden. Nu heb ik recht Gods liefd' en gunst bemerkt, Die juist mij heeft tot deez' tijd toe gesterkt.

Wat smaakte ze de nabijheid des Heeren toen haar einde naderde!

Zij voelt de smaak der eeuw'ge vreugd zo krachtig, Dat z' uitroept: Nu. nu weet ik hoe waarachtig De Heere zij, nu wil Hij komen haast, Dat ik van hier eens moge zijn verplaatst. O! wat pen vreugd verrukt mijn hart en zinnen! Wat vreugd, wat vreugd gevoel ik nu van binnen! Ik voel het al, ik zie 't al. O wat vreugd! De Heere komt. Wat vreugd, wat vreugd, wat vreugd!

Niet lang heeft ze het toen meer gemaakt. De omstanders hielden aan in het gebed. Zij had gezegd dat het maar enkele uren meer duren zou.

Haar aanzicht stond zo vriendlijk en verheugd, Alsof daarop waar afgemaald de vreugd. Zo ging z' omtrent de zesde uur juist henen. Gods licht is haar, met 't morgenlicht, verschenen.

Als we bedenken, dat het hele gedicht 600 regels bevat, dan begrijpen we, dat er hier slechts een weinigje van is gezegd. Voor declamatie op meisjesverenigingen zou dit gedicht heel goed kunnen dienen. Ik weet echter haast zeker, dat het niet afzonderlijk is uitgegeven. Bovendien zal de oude spelling voor velen een handicap zijn.

INDEX


1) Ee = ecth, huwelrjk, Eega = echtgenoot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1954

Daniel | 8 Pagina's

KLAAG- EN TROOSTREDE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1954

Daniel | 8 Pagina's