Gods besluiten zijn onvoorwaardelijk
Behalve de reeds genoemde eigenschappen, kunnen we van de besluiten Gods ook nog zeggen, dat zij o n-voorwaardelijk zijn.
Er zijn bij God geen besluiten onder een voorwaarde, die van 's mensen vrije wil zou afhangen. En toch is dit een van de grootste dwalingen, die alle tijden door en niet het minst in onze tijd gevoed worden. Er is een christendom in Nederland en daarbuiten, dat zich de besluiten Gods niet anders voorstelt dan onder beding van 's mensen vrijwillige toestemming.
Onze Dordtse Vaderen hadden met dat dwaalzieke gevoelen reeds te kampen, en hebben daarom de 5 artikelen tegen de Remonstranten, ook wel de Dordtse leerregels genoemd, opgesteld. Jammer, dat deze artikelen, die men toch in bijna elk kerkboekje vinden kan, zo weinig bekend zijn en vooral door het opkomend geslacht maar zelden bestudeerd worden. Er mocht op de Jongelingsverenigingen wel eens meer aandacht aan dit belijdenisschrift besteed worden. Het getuigt van een diepe blik in de Waarheid Gods; van een hooghouden van de absolute souvereiniteit Gods; van een beproefde godzaligheid der opstellers.
Zij, die een voorwaardelijk (conditioneel) besluit leren, willen wel erkennen en toestemmen, dat God de zaligheid aan een bepaald aantal mensen wil geven, maar ze verbinden er deze bepaling bij, dat nu ook de mens, van zijn kant, zich bekeren en in Christus geloven moet. Het is niet overbodig hierop even nader in te gaan, aangezien een leugen, die een halve waarheid bevat, zoals hier het geval is, het meeste ingang bij de mensen vindt. Want het is toch metterdaad zo, dat geloof en bekering eisen Gods zijn, zó sterk zelfs, dat de Heere zegt: „Wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden!" En ook: „Zij hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof!" We tornen dan ook allerminst aan de Schriftuurlijke waarheid, dat geloof en bekering voonvaarden zijn om zalig te worden. Wie niet gelooft, en wie niet bekeerd wordt, kan niet zalig worden!
De fout echter van de dwaling der Remonstranten en zovele anderen, die hun voetspoor ook heden nog volgen, ligt dan ook ergens anders. We ontkennen, als Gereformeerde belijders, die de leer der Vaderen volgen, dan ook volstrekt niet, dat geloof en bekering noodzakelijke voorwaarden zijn tot de zaligheid, maarwij ontkennen wel, dat deze zaken voorwaarden zijn geweest in de besluiten Gods. In Gods eeuwig Raadsbesluit is er geen element, dat door de houdingder mensen beïnvloed werd. Gods besluiten zijn genomen enkel om redenen, die in God zelf bestonden, en niet om iets dat in of aan de mens is. Ja meer nog: in Gods raad is niet alleen opgenomen, dat er mensen zalig zullen worden, maar evenzeer hoe die mensen zalig zullen worden, namelijk in de weg van geloof en bekering. Het geloof en de bekering zijn mede opgenomen in Gods besluit. Wie daarop let, ziet de zaken heel anders. Men bemerkt dan immers, dat geloof en bekering geen voorwaarden waren bij het besluit Gods, maar dat zij beiden vruchten van het raadsbesluit zijn. De drijvers van de vrije wil zeggen: „Er is een raadsbesluit tot zaligheid, omdat God wel weet wie geloven en zich bekeren zullen!" Maar wie aan de leer van vrije genade vasthoudt, zegt het precies andersom: „Omdat een raadsbesluit tot zaligheid is, zullen een zeker aantal mensen tot geloof en bekering komen. „Het geloof des mensen is niet de grond van het raadsbesluit, maar integendeel, het raadsbesluit is de grond voor het geloof.
Wie des mensen vrije wil voorstaat inzake het bereiken der eeuwige gelukzaligheid, miskent en loochent het karakter der vrije genade en poneert een stelling, die geheel onhoudbaar is, wil men God God laten. Immers:1. God zou dan zelf in het onzekere verkeren aangaande ieder bijzonder persoon. 2. God zou afhankelijk gesteld w r orden van de wil en de keus des mensen, terwijl aan de mens een kracht toegeschreven wordt, die hij niet bezit. 3. God de Heere zou eerst een vast besluit kunnen maken, als Hij weet en ziet, wat de mens van zin is te doen. 4. De draden en teugels van het wereldbestuur en van heel de Kerke Gods, zouden dan niet langer in Gods hand berusten, maar in die der mensen. 5. God zou Zijn Zoon gezonden hebben tot verzoening der zonden, terwijl de mogelijkheid open bleef, dat niemand die Zoon in het geloof aannam. Daarom verwerpen we zulk een goddeloze stelling van voorwaardelijke besluiten, en erkennen daarentegen de volstrekte onvoorwaardelijkheid daarvan. En daarin ligt dan ook alleen de vastigheid voor de zaligheid van Gods volk, dat het uitroept: Wij hebben Hem lief, omdat I-iij ons eerst heeft liefgehad!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 oktober 1953
Daniel | 8 Pagina's