VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
Naar aanleiding van de beantwoorde vraag in het laatste nummer van Daniël over de ambten van Christus, zoals die bekleed worden in de kerk des Heeren, vraagt men mij ook iets te schrijven over het ambt aller gelovigen.
Antwoord: Met de beantwoording dezer vraag moeten we naar Zondag 12 van de Heidelb. catechismus, waar gehandeld wordt over de naam „christen". Daar wordt geantwoord op de vraag: „Maar waarom wordt gij een christen genaamd? omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn naam belijde en mijzelven tot een levend dankoffer Hem offere en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere."
In Zondag 12 wordt dus gesproken over de levende kerk, zoals ook de Ned. Geloofsbelijdenis spreekt in art. 27 van de ware Christ-gelovigen, die hun zaligheid alleen in de Heere Jezus Christus verwachten. Een christen is dus de zalving van de Heere Jezus deelachtig, wat betekent, dat een christen is aangesteld tot een ambt. Iedere christen is dus ambtsdrager, niet gesteld, maar hersteld in het ambt. De genade herstelt wat door de zonde verwoest is. Het antwoord van vraag 32 spreekt van cle drie ambten en geldt zowel de christenman als de christenvrouw. Luister slechts: „opdat ik Zijn Naam belijde (dit is het profetisch ambt), mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere (dit is het priestelijk ambt) en met een goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde enz. (dit is het koninklijke ambt).
Het zijn dus niet alleen de dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, die in het ambt staan, maar ook iedere gelovige, man of vrouw is ambtsdrager. De eersten dragen in de kerk het bijzonder ambt aller gelovigen.
Het ambt aller gelovigen is het voornaamste. Dit ambt is reeds in de schepping gegeven. Het bestond reeds voor dat er van enig kerkelijk ambt sprake was. Adam was reeds ambtsdrager. Het bijzonder ambt houdt eenmaal op, maar het ambt aller gelovigen duurt tot in eeuwigheid. In de hemel is het bijzonder ambt vervallen, m.a.w. daar zijn geen dominees, ouderlingen en diakenen, maar wel profeten, priesters en koningen. We zouden dus kunnen zeggen, dat het ambt aller gelovigen primair en het bijzonder ambt secundair is. De gelovigen, de ware christenen zijn dus geen leken, zoals de roomse kerk leert, maar mondige leden, geen voorwerp alleen van be-arbeiding, maar zelf geroepen tot de arbeid.
C. M, D. te W. schrijft: .Daar staat in Lucas 22 : 32; „Maar Ik heb voor U gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk Uwe broeders".
Nu vraagt hij: „Was Petrus dan niet bekeerd, toen hij als discipel bij de Heere Jezus was? "
Antwoord: Zeker was Petrus een bekeerd man tijdens het leven van de Heere Jezus op aarde. Dat blijkt genoegzaam uit de vier Evangeliën. Maar „bekering" heeft in de Heilige Schrift niet altijd dezelfde betekenis. Zonder diep op de „bekering" in te gaan is er in de H. Schrift sprake van een vernieuwde bekering en van een dagelijkse bekering. De vernieuwde is er als een kind van God, na tot geloof en bekering gekomen te zijn, tijdelijk afdwaalt van de waarheid of valt in een ergelijke zonde en dan door Gods genade bij vernieuwing tot bekering komt, zoals dit het geval was bij David en Petrus. De vraag gaat over Petrus en daarom zal ik zwijgen over David.
In Lucas 22 voorzegt de Heere Jezus de verloochening door Petrus en deelt hem mee, dat in Christus' voorbede Petrus' behoud ligt. En dan voegt Hij er onmiddellijk bij: „Als gij eens (dus de vernieuwde bekering na de verloochening) zult bekeerd zijn, zo versterk Uw broeders".
De Heere Jezus wil zeggen: Als gij op Gods genade, op grond van mijn voorbede, weder opgericht zijt en tot berouw en bekering zijt gebracht, zo doe wat gij kunt, om ook anderen op te richten; als gij zelf genadige vergeving zult hebben verkregen, zo bemoedig anderen om te hopen, dat ook zij barmhartigheid zullen verkrijgen. Zij, die in zonden zijn gevallen, moeten ervan bekeerd worden, zij, die terzijde zijn afgeweken, moeten terugkeren; zij, die hun eerste liefde hebben verlaten, moeten hun eerste werken doen; zij, die door genade bekeerd zijn van zonden, moeten doen, wat zij kunnen, om hun broederen, die staan, te versterken en hun val te voorkomen, " (Psalm 51 : 13 en 15 en 1 Timotheus 1 : 13).
De dagelijkse bekering blijft de voortdurende eis der heiligmaking voor allen, die eens tot bekering gekomen zijn, eerstens, omdat Gods volk dagelijks struikelt in velen en voorts omdat het kruisigen van de oude mens en het aandoen van de nieuwe mens en het toenemen in heiligmaking, de roeping is van al Gods volk, zolang zij in het ondermaanse leven.
Bekering is Gods werk door de Heilige Geest en daarom heeft God Zichzelve voorbehouden de tijd wanneer, de wijze waarop, de omstandigheden waaronder en het middel waardoor hij tot bekering wil brengen. Het voegt ons hierbij niet één weg te denken en die allen voor te houden, want bij God is een veelvuldige wijsheid en Hij trekt Martha anders dan Maria, Samuël, Obadja en Timotheus van jongs af en de moordenaar aan het kruis in de stervensure. Johannes met zachte hand en Paulus op krachtige wijze. Maar allen hebben gekend de drie stukken, die nodig zijn, om in de enige troost getroost te leven en zalig te sterven, n.1. Kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid.
D. te W. te R. schrijf t: „Gaarne zou ik willen weten, of de telling van het volk Israël door David tweemaal is gedaan, daar we de telling lezen zowel in 2 Sam. 24 als in 1 Kron. 21. Indien een herhaling, vanwaar dan het verschil? "
Antw. Dat deze zonde van David tweemaal beschreven staat in Gods Woord, behoeft toch geen reden te zijn, dat de telling tweemaal geschied is. Er zijn zoveel geschiedenissen in de Bijbel, die meermalen verhaald worden. Ik behoef U slechts te wijzen op het leven van de Heere Jezus. Het verhaal van de kruisiging komt in cle vier Evangeliën voor.
Zo ook hier. Wat ons in 2 Sam. 24 beschreven staat, vindt U ook vernield in 1 Kron. 21.
Het eerste boek der Kronieken, gaande van het begin der wereld tot op cle regering van Salomo, is als een kort verhaal der dingen, die zich hebben toegedragen naar sommiger rekening in een tijd van tweeduizend negenhonderd vijf en tachtig jaar.
En nu het verschil.
In 2 Sam. wordt opgegeven 800.000 man van Israël en 500.000 man voor Juda. In de Kronieken zijn de getallen respectievelijk 1.100.000 en 470.000.
Het is zeker, dat de schrijver van het ene verhaal een groep mensen insloot, die door die van het andere niet mee gerekend werd. De meest waarschijnlijke oplossing van deze moeilijkheid is deze, dat het staande leger van 300.000 man in 2 Sam. niet is meegerekend, terwijl de schrijver van de Kronieken de 30.000 man die de grenzen van de Filistijnen moest bewaken niet heeft meegeteld. Het tweede verschil bestaat hierin, dat in 2 Sam. staat, dat de Heere David aanporde om Israël te tellen, terwijl in Kronieken te lezen is, dat Satan David aanporde. Hoe is deze moeilijkheid op te lossen ?
We hebben dit zo te verstaan, dat de Heere het door Satan deed, m.a.w. de Heere liet toe, dat Satan David aanporde. Er was n.1. zonde bij Israël, waarom Gods toorn ontstak en Hij door Satan David opporde het volk te tellen.
Het is een mensvormige wijze van spreken, om daardoor aan te geven, dat de zonde niet buiten Gods voorzienigheid omgaat. De zonde staat niet buiten Gods bestel.
Daarmee is de Heere niet de auteur van de zonde. Dit te denken is goddeloos. „Verre zij God van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht. (Job 34 : 10)". „In Hem mijn vaste Rots is 't onrecht nooit gevonden." De zonde blijft altijd ten volle voor onze rekening,
hier voor Davids rekening. De Heere regeert alle dingen. Satan en zonde hebben geen macht buiten Hem. Daar wij alles niet begrijpen kunnen, kunnen we slechts belijden: „Uw weg is in het Heiligdom: wie is een groot God, gelijk God? " „God is groot en wij begrijpen het niet."
En nu het laatste verschil.
In Kronieken lezen we van 3 jaren hongersnood in onderscheid van 2 Sam. waar gesproken wordt van 7 jaren. Nu is de gemakkelijkste verklaring door te zeggen, dat de schrijver van de Kronieken zich verschreven heeft, wat naar de mening van sommigen nogal begrijpelijk is, in verband de drie maanden en de drie dagen.
De Statenvertalers handhaven beide getallen en redeneren als volgt: De voorafgaande 3 jaren (2 Sam. 21 : 1) en het 4e jaar (waarin dit geschiedde) daarbij gerekend, zijn het 7 jaren; welverstaan de tijd hieronder gerekend, in welke de honger is opgehouden. Anders maar 3, welk getal staat in 1 Kron. 21 : 12."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1953
Daniel | 8 Pagina's