JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Opgravingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opgravingen

7 minuten leestijd

De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaan, te Taanach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan. (Richteren 5 : 19).

13

MEGIDDO

Zo nu en dan treffen we in de Bijbel cle naam aan van de stad Megiddo, Bij de verovering van Kan aan door Jozua wordt cle stad toegewezen aan Manasse, die de inwoners echter niet verdreef, evenmin als uit Beth-Sean, Taanach, Dor en Jubleam „en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land" (Richt. 1 : 27.) In de buurt van Megiddo streed Barak. Later versterkte Salomo haar en Ahazia stierf binnen haar muren, terwijl de koning Josia er sneuvelde in zijn strijd tegen Farao Necho van Egypte.

Uit deze kort samengevatte gegevens blijkt wel, dat het lag in één van de slagvelden van Kanaan. Een blik op de atlas zal ons daarvan overtuigen. Megiddo ligt namelijk aan een pas in het Karmelgebergte aan de grote historische weg van Egypte naar Syrië. Vanuit het zuiden beheerst de stad de toegang tot cle vlakte van Esdrelon of van Jizreël. Hoe stil en verlaten thans dit terrein moge wezen, deze weg was in de oudheid druk betreden en had een historische vermaai-dheid. Alle eeuwen door zag Megiddo dan ook vechtende legers onder haar muren. In de worsteling tussen Kanaanieten en Israëlieten speelt deze stad een rol als één Van de sterkste punten in de fortengordel, die van Beisan aan de Jordaan reikte tot de vlakte van Akko aan de Middellandse Zee. Farao Sesac vermeldt haar onder zijn veroveringen, terwijl we het in cle aanhef van dit artikel al gehad hebben over Farao Necho en Koning Jozua, alsmede over Barak. De Romeinen nestelden zich in de onmiddellijke nabijheid der oude vesting en noemden hun bolwerk Legio. Napoleon trok er voorbij op de weg naar Akka en tijdens wereldoorlog I voerde Allenby door de Megiddopas zijn leger naar de vlakte van Esdrelon op zoek naar de vluchtende Turken. Hij werd beloond met de titel, die een Farao hem zou hebben benijd: Viscount of Megiddo.

De ruïneheuvel van Megiddo heet nu Tell-el-Moetesellim. Als men aan de voet staat van deze puinheuvel, die de resten van zoveel grootheid bewaart, of op het veld van de opgravingen binnen de muren, vanwaar men de vlakte van Esdrelon overschouwt en aan de andere zijde de hoogte van de Karmelrug ziet oprijzen, begrijpt men, dat men aan deze heuvel zijn schatten niet kon laten. Men is dan ook ijverig bezig gegaan, deze roemruchte heuvel af te graven en het moet gezegd worden, dat de Amerikanen Fisher en Guy het werk met grote nauwgezetheid hebben gedaan. Geldgebrek, vaak zo'n grote hinderpaal, was er hier niet bij, want genoemde heren mochten zich verheugen in de vruchtbare belangstelling van John D. Rockefeller. Men zie het boekje van Guy: „New Light from Armageddon." (Volledigheidshalve zij terloops even opgemei'kt, dat Megiddo hetzelfde is als het Armageddon uit Openbaringen.)

Een volledig overzicht te geven van de opgravingen in Megiddo is ondoenlijk. We zouden dan te onbescheiden worden door te veel plaatsruimte in „Daniël" te vragen. Daarom willen we alleen behandelen:

1. Dat watertunnel van Megiddo.

2. De paardenstallen van Salomo.

1. De watertunnel van Megiddo.

De watervoorziening was een belangrijke factor, waar de Kanaanietische stedebouwer rekening mee moest houden. Open waterleidingen waren in oude, onveilige tijden onmogelijk. Daarom vestigde men zich alleen op plaatsen, diö één of meer bronnen in de onmiddellijke nabijheid hadden. Het was het dagelijkse werk der vrouwen het water in kannen en kruiken uit de bron naar de stad te brengen, die daarom ook niet op al te grote hoogte gelegen mocht zijn. Voor cle opgravers heeft de put altijd bijzondere waarde, omdat hij uit de aard der zaak een vergaarbak is van waterkruiken, die bij het scheppen werden gebroken of die een onhandige huisvrouw erin liet vallen. Tenslotte schijnt in een put geworpen te worden een niet zeldzame wijze van executie

Voor een belangrijke vesting als Megiddo was de watervoorziening van groot belang. Was dat in orde, dan kon de stad een langdurige belegering doorstaan.

In de westelijke hoek van de stad vonden de Amerikanen op een plaats, waar alle sporen van bouwwerken ontbraken, de ingang tot een reusachtige tunnel, die 122 voet beneden de oppervlakte doordringt. Een rechthoekige, verticale schacht met een trap langs de wanden leidt tot de ingang van de tunnel, die eerst steil hellend, daania in een horizontale gang overgaat, 55 m lang, 2 m breed en 3 m hoog, geheel in de rots uitgehouwen. Het was een geweldig werk om die tunnel leeg te ruimen, waarbij soms honderd man op een rij moesten gaan staan om elkaar de mandjes met zand en stenen aan te reiken, nadat men erin geslaagd was een electrische leiding aan te leggen, die stroom gaf voor licht en ventilatie. Het bleek toen, dat de tunnel uitliep in een groot onderaards hol, waar zich de waterbron bevond. Vanuit deze ruimte kon men aan de oostelijke kant de stad verlaten. Deze ingang werd bij een belegering met grote steenblokken dichtgemetseld, zodat men dan alleen vanuit de stad de bron nog kon benaderen. Vlak bij die dichtgemetselde uitgang vond men, aan de binnenzijde, het lichaam van een man, die men houdt voor cle bewaker van de bron. Het bronzen handvat van zijn speer lag nog naast hem en een zwarte plek op de rotswand wijst de plaats aan, waar hij zijn lamp had neergezet. Men heeft tenslotte opgemerkt, dat bij het uithouwen van deze tunnel aan twee zijden tegelijk werd begonnen, zodat de twee ploegen in eikaars richting werkten. Bij een eventuele belegering v/as op deze wijze de watervoorziening verzekerd.

2. De paardenstallen van Salomo.

De regering van Salomo betekent voor Israël het begin van een nieuw tijdperk. Het land kreeg een plaats in de rij der volkeren en de koning legde met de invoering van de internationale handel, de modernisering van het leger en de vernieuwing der verouderde administratie de grondslag voor een hogere, stoffelijke welvaart.

Bij de modernisering van het leger ging Salomo er toe over, ruiterij in te voeren en strijdwagens: En Salomo vergaderde wagenen en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagenen, en twaalfduizend ruiteren had; en hij leide ze in de wagensteden, en bij de koning van Jeruzalem." (2 Kon. 1 : 14.) Eén van die wagensteden was Megiddo. De opgravingen laten hieromtrent geen twijfel over. Dat Megiddo ook wagenstad werd, kunnen we nu gemakkelijk begrijpen na hetgeen gezegd is over de strategische ligging van de stad. Was het niet zo, we zouden ons er meer over verwonderen. Waar immers kon de ruiterij betere dienst bewijzen dan in de vlakte van Esdrelon. waartoe Megiddo juist de toegang beheerste? En waar kon de paardenhandel van Salomo een betere markt of een geschikter entrepot vinden dan in diezelfde stad aan de grote handelsweg van Egypte naar het noorden?

Op het grondplan van de stad, die de Amerikanen met veel kundigheid hebben uitgetekend, liggen de stallen van Saloimo in de straat, die zij no. 368 hebben genoemd. De stallen zelf worden technisch aangeduid als no. 361, 362 en 365. Deze gebomven schijnen door een poort met straat 368 in verbinding te hebben gestaan, zoals ook de resten van stenen deurposten nog aantonen. Elk van die stallen had de vorm van een lange

hal, met ruimte voor twee rijen „paardenboxen, " één aan elke kant van een verhard middenpad. Tussen de stenen of pilaren van het middenpad zijn hier en daar nog de voederkribben te zien, eveneens van steen. Bovendien zijn in sommige pilaren nog de gaten te zien, waardoor men een touw kon halen om de dieren vast te binden. In het geheel was er plaats voor ruim 200 paarden. Het licht kon binnenvallen door de openingen tussen het hogere middendak en de lagere zijdaken.

Ten zuiden van de stallen heeft men nog een ander groot gebouw opgegraven, dat men niet ten onrechte heeft gehouden voor de woning of het hoofdkwartier van een militaire bevelhebber. In ons geval zou dat daar Baajaa moeten zijn volgens 1 Kon. 4 : 12: Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach en Megiddo en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam."

Wij zullen het voor deze keer hierbij laten. We zullen dus zwijgen over de prachtige voorwerpen, o.a. veel van ivoor, gevonden in de onderaardse ruimte van vertrekken onder een paleis en van prachtige, albasten kruiken.

Het was ons er slechts cm te doen aan te tonen, dat de opgravingen van Megiddo prachtige illustraties geven van Bijbelse berichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1953

Daniel | 8 Pagina's

Opgravingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 augustus 1953

Daniel | 8 Pagina's