De besluiten Gods
Gods besluiten zijn eeuwig!
Achtereenvolgens hebben we nu het Woord Gods, het Wezen Gods en de Deugden Gods in een zestigtal artikelen behandeld en zijn dan nu genaderd tot de Besluiten Gods, die de noodzakelijke overgang vormen tot de Werken Gods. Immers, aan al Gods werken liggen Zijn besluiten ten grondslag. Kunt U zich een werk Gods voorstellen, waarover Hij van tevoren geen besluit heeft gemaakt? God doet nooit iets, kan ook niets doen, waarover Hij niet eerst heeft gedacht en dat Hij niet eerst heeft vastgelegd in Zijn onveranderlijke Raad. Daarom kunnen we niet met elkander spreken over Zijn werken, als we niet eerst Zijn eeuwige besluiten tot voorwerp onzer overdenking hebben gemaakt!
Al Gods werken naar buiten veronderstellen dus een plan, een voornemen in Hem. Want de alwijze God werkt niet toevallig; niet zonder nadenken, maar Hij werkt als de hoogste Rede, met vrije zelfbepaling, met voorbedachte vrijwillige raad. God wil iets en Hij weet, dat Hij het wil en tevens waaróm Hij het wil. Even zo goed als al Zijn werken een eigen doel hebben, door Hem gewald en vastgelegd, even zo goed hebben Zijn werken een grondslag, waarop zij gebouwd worden, een bodem, waaruit zij ontspruiten, een oorzaak, waaruit zij oprijzen.
In zekere zin kunnen we zeggen, dat er slechts één besluit bij God is; want wel loopt Zijn bepaling over alle dingen; over dingen van de meest uiteenlopende aard, maar hoezeer Gods werken veelvuldig en van elkander onderscheiden zijn, er ligt toch slechts één besluit aan ten grondslag, omdat God met één machtige blik alles overziet en vaststelt en bepaalt, wat in de tijd geschieden zal.
Toch spreken wij, mensen, bij voorkeur niet over één besluit, maar over meerdere besluiten Gods. Dat hangt samen men onze menselijke, beperkte voorstelling er van. Want wel heeft alles wat leeft en gebeurt op aarde één oorzaak en grond, maar wij zien de dingen geschieden in een zo grote en veelvoudige afwisseling en onderscheiding, dat we noodzakelijk ook het besluit Gods in afzonderlijkheden moeten beschouwen, willen we er althans iets van kunnen vatten. En het is ook in het geheel niet verkeerd, dat wij een zodanige menselijke voorstelling van de besluiten Gods huldigen, als we er tegelijk maar bij bedenken, dat alles wat w r ij in God zien als van elkander onderscheiden, toch in werkelijkheid in Hem één is.
Evenals er slechts één Wezen Gods is, is er ook slechts één besluit Gods, dat allen en alles omvat, want in God is niets gedeelds of tegenstrijdigs. Het is, zoals de profeet Zacharia het uitroept: , , De Heere is één, en Zijn Naam is één!"
Als Hellenbroek dan ook vraagt: Zijn Gods besluiten iets onderscheiden van God? , dan antwoordt hij zo kernachtig: Neen, zij zijn de besluitende God zelf! Alzo is de besluitende God de-willende God en de willende God is de besluitende God, en de willende, besluitende God is de diepe Oorsprong aller dingen.
Gods besluiten zijn eeuwig. Hij neemt Zijn besluiten niet voor en na; het een na het ander, of naar aanleiding van de omstandigheden. Het is één, eeuwige werkzaamheid in God.
Dit wordt ontkent door allen, die de mens een onafhankelijke wilsvrijheid toeschrijven. Men stemt dan wel toe, dat er bij God enige algemene besluiten geweest zijn voor de grondlegging der wereld, bijv. het besluit om de wereld te scheppen, en de mens daarop te stellen; alsook om een Zaligmaker te zenden, en ook nog wel om, in het algemeen genomen, mensen zalig te maken. Maar tegelijk bindt men die besluiten, wat de uitvoering betreft, toch geheel aan de wil des mensen. De wil van de mens kan de besluiten Gods — zo zeggen zij — weer doen afspringen, of in gans andere banen leiden. Maar dat alle Goddelijke besluiten eeuwig zijn en dat in het Goddelijk raadsplan alles, ook het allergeringste van 's mensen doen en lot begrepen is, wordt door de voorstanders van de vrije wil met beslistheid ontkend, terwijl zij zelfs stellen, dat God nog dagelijks besluiten maakt, al naar mate Hij bemerkt, hoe de mensen handelen tegenover Hem en elkander.
Zo stelt men de besluiten Gods op losse schroeven en neemt er de ware troost uit weg, die een arm zondaar er in vinden kan, en waardoor hij weet, dat niet van zijn eigen willekeur, doch van Gods besluit alles, ook zijn zaligheid afhangt. Wie met zichzelf en met zijn schone voornemens bedrogen is uitgekomen, die roemt met de dichter van Psalm 89: Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw g e-maakt bestek in eeuwigheid zal rijzen!" Of zoals de Psalmist het zegt in Psalm 139: Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven!" Daaraan kan een ziel, die zijn eigen leven heeft leren verliezen, zich vastklemmen, en daarin ligt enig en alleen zijn eeuwige behoudenis. "Ik, de Heere, word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jakobs niet verteerd!" Mal. 3 : 8.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1953
Daniel | 8 Pagina's