Opgravingen
„En het geschiedde, als hij een lange tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat ziet, Izak was jokkende met Rebekka, zijn huisvrouw." (Gen. 26 : 8).
II
Onwillekeurig vraagt men zich bij het lezen van deze tekst af: Hoe kon het gebeuren, dat Abimelech zo'n intiem tafereeltje zag? Hoe kon de koning getuige zijn, dat Izaak lief-plagerig zijn vrouw aanhaalde?
Lange tijd heeft men hierover zijn gedachten laten gaan. Schilders van naam o.a. de beroemde Rafaël hebben hiervan een keurig tafereel geschetst, zonder het geheim op te lossen overigens. Uitleggers gaven hun visie, maar zonder bevredigend resultaat en meestal tegenstrijdig.
De enig goede oplossing werd gegeven door de opgravingen. Daar zult U misschien vreemd van opkijken, maar we zullen trachten het uit te leggen.
De stad, waar het intieme tafereel zich afspeelde, was Gerar in het land der Filistijnen volgens Gen. 26 : 1. Het lag niet ver van Gaza af. Abraham heeft er als vreemdeling verkeerd en ook zijn zoon Izaak ging er heen, omdat er honger in het land was.
„En er was honger in het land, behalve de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izaak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar." (Gen. 26 : 1). Waarom Izaak nu juist naar deze stad ging in verhand met de honger, zal eveneens uit dit artikel blijken.
Later heeft Asa de Moren verjaagd tot Gerar toe. Op grond van deze en andere, hier onbesproken aanwijzingen, ging men Gerar zoeken in het zuidwestelijk deel van Palestina. De vermaarde opgraver Flinders Petrie vond de stad in de ruïne-heuvel Teil Dsjemme. Ook deze heuvel bleek te zijn een berg van vele steden, want zeker zes steden werden er boven elkander gevonden. Eén daarvan is uit de tijd, kort voor de intocht der Israëlieten. Men vond hierin twee ovens voor ijzerbewerking, waarbij nog ijzeren ploegpunten en houwelen werden gevonden. Dit klopt prachtig met 1 Samuël 13 : 19 en 20: En er werd geen smid gevonden ln het ganse land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: pdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken. Daarom moest gans Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer of zijn spade of zijn bijl of zijn houweel scherpen liet."
Hieronder vond met het Gerar uit de dagen der aartsvaders. Heel merkwaardig was hierin het vinden van graansilo's en talrijke gewichten, waaruit we mogen afleiden, dat de stad in die dagen een korenmarkt had. Gerar was dus een middelpunt van graanhandel en dientengevolge een graaggezochte stad in dagen van hongersnood. Misschien was daar nog wat te eten. Nu kunnen we begrijpen, waarom Abraham en Izaak juist naar Gerar trokken, toen er honger in het land was. Zelfs eeuwen later ging de Sunemietische daarheen op aanraden van Eliza, althans naar het land der Filistijnen.
Behalve de graansilo's vond Petrie ook de grondsporen van het paleis, waar de stadskoning w r oonde, dus waar Abimelech ook gewoond moet hebben. Men vond dit paleis aan de rand van de stad en aan de noordzijde. Vooral dit laatste is zeer belangrijk. Verder wezen onderzoekingen in de omgeving van de stad uit, dat de enige mogelijkheid voor kampementen, waar de Bedoeïnen in tenten verblijf hielden, lag aan de noordzijde van de stad; hier hebben dus alle eeuwen door de herders hun tenten opgeslagen. Daar heeft de tent van Izaak dus ook gestaan, dicht bij het paleis van Abimelech.
Om de zaak nu goed te kunnen begrijpen, moeten we ons betoog hier even afbreken, om een korte, nadere beschouwing te geven over de tenten der aartsvaders.
De meeste lezers (essen) zullen zich waarschijnlijk nog wel herinneren, dat ze vroeger op school een plaat hebben gezien van de tenten der Israëlieten, gelegerd rondom de tabernakel in de woestijn. Het gaat ons nu om die tenten. Deze plaat nu heeft al veel geslachten op een dwaalspoor gebracht, want de daarop getekende tientallen tenten zijn allemaal fout, want deze tenten zijn hollandse legertenten van voor de oorlog. Het is onbegrijpelijk, dat zulke platen, hoe mooi overigens ook voor kinderen, zo'n lang leven beschoren is. Neen, de aartsvaderlijke tent was rechthoekig: het dak ligt vlak over de tentstangen. Verder bestond de tent uit twee afdelingen, gescheiden door een verticaal gespannen doek. Het ene gedeelte dient als keuken, slaapkamer en magazijn en bestaat uit een afdeling voor mannen en een voor vrouwen; in het andere worden de gasten ontvangen. In dat vertrek is gewoonlijk jong vee; komt er een gast, dan worden de jonge kamelen en geiten verdreven en de vloer vlug schoon gemaakt; hierop spreidt men dan snel twee of drie kleden uit en daarop legt men een kamelenzadel, opdat de gast rusten kan. De gast komt dus wel in het vertrek voor de officiële ontvangst, maar niet in de meer intieme afgeschoten ruimte van de familie. Was het nu warm weer, en wanneer was het dat niet, dan was de tent naar het zuiden opengeslagen, dan was de harige afhangende doek aan de zuidkant opengeslagen en over het dak gelegd.
Nu keren we terug naar Abimelech. Zoals we zagen, lag zijn paleis aan de noordkant van de stad. Een eindje daar vandaan stond de tent van Izaak met opgeslagen doek naar het zuiden. Wanneer U zich de situatie nu goed indenkt, dan zult U opmerken, dat Izaaks tent open is naar de kant van Abimelechs paleis. In onze gedachten zien we de hoge vorst voor de ramen staan en laat zijn blik gaan over de omgeving en over de herderstenten. Plotseling valt zijn oog op de opengeslagen tent van Izaak, die zich helemaal niet bespied waant, en daardoor was Abimelech getuige van het intieme tafereel, dat dit gelukkig beminnende paar elkander aanhaalde: jokkende.
Zo bevestigt hier de opgraving de waarheid van mededelingen in het oude Bijbelse verhaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1953
Daniel | 8 Pagina's