Botsingen
3.
VAN PLICHTEN
Bij de zuivere botsing van plichten staan wij te midden van een verwikkeling, waar we niet weten uit te komen. Die soorten gevallen willen we hierbij noemen.
1. Wij worden geplaatst voor geboden die met elkaar in lijnrechte strijd zijn, b.v. God gaf ons het gebod: , , Gij zult niet doden." Dit gebod geldt allen, U en mij.
Hoe moet dat nu in 't geval van zelfverdediging? van noodweer?
Moet ik mijn leven sparen ten koste van mijn naaste of dat van mijn naaste ten koste van dat van mijzelf ?
mijzelf ? 2. Wij hebben te doen met gezagsdragers die door Gods beschikking of onder Gods toelating over ons gesteld zijn en die ons nu tegengestelde bevelen geven.
Als nu over eh weer de een mij oproept tot verzet tegen de ander, wat is dan Gods wil? Wat moet ik doen?
3. Wij worden in een positie gebracht, waarin we naar 2 kanten kunnen kiezen en elke keuze die wij doen brengt bezwaar voor ons geweten mee, b.v.: Daar is een doodzieke vrouw. Haar man ontvangt de droevig tijding, dat de oudste zoon door autoongeluk plotseling gestorven is. Op een gegeven moment vraagt de zieke moeder naar de welstand van die jongen. Wat moet de man nu doen ?
De wet des Heeren verbiedt hem te liegen. Waarheid zeggen, kan de vrouw het leven kosten. Wat is de uitweg?
Wij «noemden slechts enkele eenvoudige voorbeelden, maar het gecompliceerde mensenleven kent veel meer botsingen en U gevoelt met mij, hoe moeilijk het is, om hier algemene regelen te geven, die tot een bevredigende oplossing brengen.
Dat gaat immers niet.
Elk geval zal op zichzelf moeten worden bezien. De opmerking kan hier gemaakt, dat er alleen ontkoming uit de verwarring mogelijk is, wanneer wij door oprecht gebed vragen naar Gods wil.
We beamen dit volmondig, maar de practijk wijst uit, dat we bij het meest oprecht vragen aan de Heere toch niet komen tot het kennen van de welbehaaglijke wille Gods.
Hoe moeten we dan?
Lukraak handelen? Allerminst!
Hoe moeilijk en gecompliceerd de vragen ook zijn, toch bezitten wij in Schrift en historie wel enige richtlijnen, om tot een antwoord te geraken.
Er bestaat, wat men noemt, een gevallen leer, een casuïstiek. Dit woord vindt ge ook in combinatie met consciëntie en bedoelt dan een geval van het geweten, waarin de zedewet niet duidelijk zegt, hoe men moet handelen, waar dus het geweten moet beslissen.
Reeds in oude tijden hielden Heidense geleerden zich met dit vraagstuk bezig.
Het kan dan ook niet verwonderen, dat ook christelijke schrijvers voor dit geweldige vraagstuk grote belangstelling toonden.
Er was natuurlijk groot verschil van uitgangspunt. Voor de heidense geleerden was de cosmische of wereldvrede het uitgangspunt; de christelijke schrijvers namen als basis de geopenbaarde wil Gods, waaraan het schepsel gebonden is.
Hieraan te gehoorzamen is des mensen plicht. De oude schrijvers namen zeer uiteenlopende standpunten in ten opzichte van de z.g. gevallen leer.
Clemens was mild. Tertullkinus daarentegen streng. Augustinus handhaafde de preciese, Hiëronymus de rekkelijke opvatting.
De Middeleeuwen gaven een brede ontwikkeling van de gevallen leer.
Vooral sinds in 1215 de oorbiecht verplichtend werd gesteld, hadden de biechtvaders grote behoefte aan handelingen bij de behandeling van bepaalde gevallen en soorten van de zonden. De Middeleeuwse moraalleer heeft er in voorzien.
De reformatie heeft scherpe critiek geoefend op de Roomse gcvallenleer. De gevallenleer op zichzelf verwierp men niet.
Wel verzette Calvijn zich tegen het binden door preciese vormen. Hij erkende echter de noodzakelijkheid van „algemene regels".
Van haar Geref. beoefenaars moeten genoemd worden Perkins, Amesius en Voetius.
Amesius, hoewel geen lid van de Nat. Synode, maar toch aangewezen om de praeses Joh. Bogerman van i"aad en voorlichting te dienen heeft 5 boeken van de consciëntie en haar recht of gevallen geschreven.
Prof. Geesink heeft deze boeken voorzien van een voorrede in 1898 opnieuw uitgegeven.
Deze schrijft in het slot van zijn voorrede: „Moge de lezing van deze casuïstiek bevorderlijk zijn aan het weten van wat Gods Woord ook op zedelijk gebied eist en daardoor ten goede komen aan de practijk der Godzaligheid."
Bij het aanbreken der 18e eeuw, de eeuw der verlichting is de gevallenleer op de vlucht gedreven.
Voor al het menselijk handelen gaf de Rede haar klaar licht, De mens voelde zich vrij. Zelf wilde hij ooi-delen en handelen. De rede was de mens liever dan liet geweten.
Het geweten met zijn slagschaduw en verschrikkingen paste allerminst in de zonnige sfeer van de verlichting en bij de van nature goede mens.
Maar, gij weet het uit de historie, dat de verlichte eeuw een geweldig fiasco heeft geleden en het verlangen is weer levendig geworden, om houvast in het leven te hebben, om vormen en normen te kennen, die het geweten kunnen bevredigen.
Nu doet zich de vraag voor of het geweten in een bepaald geval direct — zonder overleg — de oplossing moet weten of dat men door raadpleging van anderen en zichzelf tot klaarheid moet geraken. O.i. zal het laatste moeten gebeuren en kan een goede gevallenleer hier uitnemende diensten bewijzen.
Nu rijst de vraag of de gevallenleer het de mensen niet of te gemakkelijk of te moeilijk maakt.
Te gemakkelijk, omdat men de beslissing verlegt uit het eigen geweten naar de autoriteit van een ander. Te moeilijk, doordat men niet de directe aanwijzing van het geweten volgt, maar eerst gaat wikken en wegen en overleg plegen.
Voor ons moet vaststaan, dat wij niet de weg van overleg inslaan om daardoor los te komen van onze verantwoordelijkheid, echter sluit dit niet uit, dat wij kennis mogen en moeten nemen van de goede raad van hen, die willen onderwijzen overeenkomstig de maatstaf van Gods Woord.
Voor welke moeilijke gevallen wij in het leven ook komen te staan, de allereerste vraag zal moeten zijn: „Wat zegt mij des Heeren wet? " En die wet spreekt ons in twee tafelen van drieërlei liefde.
le 2e 3e van de liefde tot God van de liefde tot ons zelf van de liefde tot onze naaste
De eerste tafel gebiedt ons God lief te hebben boven alles.
Als er dus in ons leven een botsing ontstaat tussen het belijden .van God, het uitkomen voor Zijn eer of welke andere plicht ook, dan is het duidelijk, dat elke andere plicht moet wijken voor:
de plicht God belijden.
Ditzelfde geldt ook ten opzichte van het 3e gebod. In alle gevallen hebben wij de openbaring Gods, d.i. de heiliging van Gods Naam te handhaven en te eerbiedigen.
Welke botsing van plichten zich hier ook voordoen, hier is slechts één keuze. kunnen
Het 4e gebod beveelt ons de heiliging van de dag des Heeren, de rustdag des N. Testaments en zegt ons, dat wij op die dag geen werk mogen verrichten. Alle werk op Zondag kan niet stil gelegd worden.
Volgens de Schrift mogen op die dag werken van barmhartigheid en noodzakelijkheid w 7 el worden verricht.
Hier zijn de bezwaren, hier hebben wij onmiddellijk de botsing van plichten.
Wat de één noodzakelijk vindt, vindt een ander helemaal niet noodzakelijk.
Hoe zou in deze gecompliceerde tijd i.z.h. in een grote stad, de saamleving er uitzien, als alle politiedienst werd stopgezet?
't Is dan ook begrijpelijk, dat in onze Gemeente geen bezwaar wordt gemaakt, als een lid der Gemeente op Zondag politiewerk doet en even begrijpelijk is het, dat het lidmaatschap onverenigbaar is met de arbeid op de sabbat bij spoor, tram, electriciteit, gas enz.
De kerk hebbe tijdig de grenzen te bepalen. Dat is haar roeping, zonder te vallen in alle wettische, mogelijke en onmogelijke bepalingen, van raakt niet, smaakt niet en roert niet aan. De verklaring van het 4e gebod in de H. catechismus houdt zich aan deze regel en is U allen bekend.
Nu komen we tot de 2e tafel van Gods wet, die ons gebiedt de liefde tot onze naaste.
Naasteliefde moet gegrond zijn in de liefde tot God en opkomen uit de wortel van het ware geloof.
Eij een botsing van plichten moet hier dan ook altijd de vraag worden gesteld:
Hoe moet hier uit liefde tot God, het best worden gehandeld ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1953
Daniel | 8 Pagina's