De Deugden Gods (r.)
Sion door recht verlost!
In ons vorig artikel hebben we gezien, hoe des Heeren doen altoos recht en gerechtigheid is; laten we er nu ook eens op letten, hoe het volk des Heeren aan dat recht deel krijgt en er de zegen van aan eigen hart
ervaart. Bij Jesaja spreekt de Heere: „Sion zal door recht verlost worden! „Deze waarheid wordt verstaan en ondervonden door elk van Gods kinderen. We zouden in het kort kunnen zeggen, dat Gods uitverkorenen op drieërlei wijze met dat recht Gods te maken krijgt. Gods kind moet namelijk leren: le. hoe hij onder dat recht bezwijkt; 2e. hoe hij door dat recht wordt behouden en 3e. hoe hij in dat recht gaat roemen.
le. Hoe hij onder dat recht bezwykt. Zolang de mens in zijn natuurstaat leeft, bekommert hij zich om het recht Gods niets; hij is zijn eigen rechter en erkent geen hogere Wetgever en Rechter boven zich. Maar zodra de Heere zich aan hem ontdekt, als de God, die van Hem te eisen heeft, als de Schuldheer, bij Wie hij in het krijt staat, dan wordt het anders. Dan krijgt hij met dat recht te doen en kan er niet los van komen. Toch is daarop in het begin al zijn streven gericht. Uit het verbroken werkverbond tracht hij met dat recht Gods weer op goede voet te komen; en door een ingetogen wandel, door gebeden en beloften, in één woord door te doe n, probeert hij de eis van het recht te ontkomen. Maar dat alles brengt geen baat aan het hart, dat met God te doen kreeg. Als de volmaakte eis der wet hem voor ogen komt te staan, en de zekerheid, dat God geen duimbreedte afwijkt van Zijn heilig recht, zich aan hem opdringt, weet hij tenslotte geen ontkomen meer. Aan alle zijden is zijn weg toegemuurd. Hij wil vluchten, maar kan nergens heen, zodat de dood voorhanden schijnt, en alle hoop hem gans ontvalt. En in die ure moet hij voor dat recht Gods zwichten, hij bezwijkt er onder, en erkent: , , Ik kan geen penning betalen; ik heb de dood verdient en ga die tegemoet!"
Maar zó laat de Heere Zijn kind niet liggen, dat onder Zijn recht is bezweken. Hij treedt nader om hem vervolgens te leren:
2e. Hoe hij door dat recht wordt behouden. Want dan krijgt hij een gezicht op de dierbare Borg en Zaligmaker, die in der waarheid onder het recht Gods is doorgegaan; aan Wie dat recht Gods zich gekoeld heeft; die de slagen van het recht in Zijn gezegend lichaam en in Zijn reine ziel heeft opgevangen. Dan leert hij door de onderwijzing des Heiligen Geestes verstaan, dat zijn zonden zijn indruisen tegen Gods recht door die Middelsaar als Z ij n eigen schu ld op Hem geladen zijn; en dat hij nu door datzelfde recht, dat Christus de dood kostte, de vrijbrief ontving voor zijn arme, schuldige ziel, wetende dat het handschrift zijner zonden, dat tegen hem was, door die Zaligmaker aan het kruis is gehecht geworden. In zichzelf moge hij niets dan ongerechtigheid zien, maar het kleed der gerechtigheid, door Christus aan het kruishout geweven, bedekt al zijn ongerechtigheden, zodat hij vrij en s recht en schuldeloos voor de Rechter verschijnen kan. Voor de Rechter, die nu voor hem is geworden een liefhebbend Vader. Maar dan ook kan hij zich niet langer inhouden, doch mag hij in beoefening brengen:
3e. Hoe hij in dat recht gaat roemen. Is hij door dat recht waaronder hij eerst bezweek, behouden geworden, dan krijgt hij ook dat recht zijns Gods lief met een liefde, die door vele wateren niet geblust kunnen worden. Dan leert hij er iets van, wat de dichter van Ps. 92 zingt: „Om te verkondigen, dat de Heere recht is!" De goeder tieren heid des Heeren te bezingen is veel. Zijn trouw uit te jubelen is nog meer. Maar Zijn heerlijk r ec h t te roemen gaat boven alles.
In de roem van Gods recht, raakt de verloste zichzelf kwijt, om gans alleen de Heere tot voorwerp van zijn lof te maken. Dan worden niet de weeë versjes van die „lieve Jezus", die ons „helpen wil" gezongen, maar dan wordt de roemtaal van de door God geïnspireerde Psalmdichters op de lippen genomen: „Uw troon blijft, onbewogen, van recht en van gericht zijn vasten steun ontlenen. Ps. 89.
„Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren, dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren." Ps. 32. Ja, dan zingt hij de dichter van Psalm 118 na: „Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden de poorten der gerechtigheid. Door deze zal ik binnentreden en loven 's Heeren majesteit!" En hij wijst er zijn medeschepselen op: „Dit is, dit is de poort des Heeren, daar zal 't rechtvaardig volk door treên." Zo wordt het recht des Heeren hun hoogste roem en hun innigste zielsvermaking, als zij zingen: „In Hem, mijn vaste Rots, is 't onrecht nooit gevonden!" Ps. 92.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1953
Daniel | 8 Pagina's