VOOR ONZE Militairen
OVERHEID, GEZAG en RECHT
Ik heb over de Overheid en het gezag al eens meer geschreven. Toch lijkt het mij niet overbodig dat we er nog eens bij stil staan. We leven in een tijd dat het ambt der Overheid, haav gezag en vecht bij velen van ons volk in discrediet is. Deze misvatting is zonde want de Overheid is Gods dienaresse. Het is een goddelijke instelling en niet een menselijke vinding. Zij ontleent dan ook haar gezag aan God en niet aan de mens. Het ware te wensen dat èn Overheid èn onderdaan dit meer mochten beseffen en beleven. Doch terzake!
De geweldige crisis, die 'de zestiende eernv doorwoelde was een van de oorzaken dat onze vaderen liet ambt der Overheid hebben bestudeerd. En het is opmerkelijk dat zij de uitkomst van hun onderzoek in hun geloofsschat hebben neergelegd. Ik bedoel in hun belijdenis. Daaruit blijkt ons, dat hetgeen zij met betrekking tot de functie dei' Overheid beleden, voor hen van uitermate gewicht was. Is het dit bij ons ook? Hun poli
tieke overtuigingen wortelden in hun diepste levensbeginselen. Dit alles hebben zij vast gelegd in de 37 artikelen van onze Geloofsbelijdenis. De 37 artikelen bevatten toch in drie hoofdgroepen een systematisch geheel. De eerste 11 artikelen handelen over de Godsleer, de daaropvolgende 14 artikelen leren ons de weg om God te kennen als voor de zaligheid van node is en de laatste artikelen handelen over de toepassing daarvan in de wording der kerk, die naar haar wezen, leden, kenmerken, regering en levensfuncties omschreven wordt zoals zij zal leven onder de bescherming der Overheid, die de roeping heeft haar bestaan mogelijk te maken in het volksleven, daar de Overheid met de kerk samen een functie heeft in de voleinding van het wereldproces, waarover het laatste artikel spreekt. Vandaar dan ook dat onze belijdenis haar grondslag vindt in Gods Woord.
Hun politieke belijdenis was een stuk des geloofs en omgekeerd, hun Geloofsbelijdenis had een politieke strekking. De belijdenis zoals zij uit de handen der Vaderen tot ons is gekomen, is eigenlijk in haar geheel een politiek document. Zij had de strekking aan Philips II een klaar inzicht te geven, in het wezen van liet Gereformeerde Protestantisme opdat hij daardoor tot een andere politiek zou worden bewogen.
Te midden van de geweldige beroeringen waardoor alle volkeren in West Europa waren aangetast, openbaarden zich de Gereformeerden door hun belijdenis aan de Koning aan te bieden, als een anti-revolutionaire partij, wier streven niet gericht was tot omverwerping van het gezag, maar juist tot handhaving van het gezag. Teruggekeerd tot het Evangelie worstelden zij om politieke vernieuwing. De Vaderen hoopten dat als Philips zich de moeite wilde geven!, grondig kennis te nemen van hun levens-en wereldbeschouwing, hij tot ander inzicht zou komen. Uit dat oogpunt bezien draagt de belijdenis de merktekenen van de tijd, waarin zij werd opgesteld. Maar alle belijdenisgeschriften van het Gereformeerde Protestantisme dragen de merktekenen van de grote crisis die Europa op elk levensgebied heeft doorworsteld.
Vergeet echter nooit dat dit slechts geldt haar vorm en niet haar wezen.
Zij zijn alle gegroeid en gefundeerd, dank zij een innig geestelijk leven uit en op Gods Woord.
Daarin heeft de Reformatie zich juist onderscheiden van alle andere geestelijke bewegingen omdat zij leefde onder de belichting van de Heilige Geest uit het Woord.
Het Gereformeerde beginsel, zoals het historisch is verschenen en eenmaal geleefd heeft in de volksgemeenschap, die er niet voor schroomde het schavot er voor te beklimmen, heeft niets met enige Wijsbegeerte gemeen.
De Hervormers, door kinderlijk en onvoorwaardelijk geloof aan Gods openbaring geleid, hebben haar met de hulpmiddelen ener gelovige uitlegkunde toegelicht en geenszins aan de uitspraken van een bedorven rede ter toetse gebracht.
Zij leefden bij de gratie Gods uit het Woord Gods zodat uit dat Woord haar het licht opging ook over de Staat. Dat Woord deed hen het gehele wereldproces zien in het licht van Gods Souvereine Majesteit.
Naar dat Woord is niets onttrokken aan Gods Souverein bestel en ontwikkelt zich de geschiedenis der mensheid niet als een spel van blindwerkende mechanische krachten, maar is zij het toneel waarop Gods Voorzienigheid haar leidende kracht openbaart.
De Heere laat na de val de mensheid niet los. Gelukkig niet. Als Noach de ondergang der eerste wereld aanschouwd heeft, dan richt God Zijn verbond met hem op en geeft waarborgen die verzekeren dat de levensvoorwaarden voor de mensheid op deze aarde bestending zullen zijn. De mensheid, de kroon der schepping, is geworden een gevallen mensheid. Haar leven is vergiftigd door het verderf der zonde. En als dit zondegif ongetemperd doorwerken kon tot in zijn uiterste gevolgen, dan zou die gevallen mensheid door het eigen zondeverderf, waaraan zij is onderworpen, noodwendig tot ondergang zijn gedoemd.
Dat blijkt, zodra een ogenblik in dagen van revolutie de teugels worden afgeworpen. Dan verschijnt de beestmens in al zijn bloedige en wrede afgrijselijkheid. Zo zou tenslotte de mensheid in zelfverslinding overgaan.
Met name Calvijn heeft er nadruk opgelegd, dat wel is waar in de natuurlijke mens geen vreze Gods woont, maar dat in de verdorvenheid der natuur er nog enige ruimte bleef voor de genadewerking Gods. En dat niet om de natuur te zuiveren, maar om de verdorvenheid in te perken en te bedwingen. Ware dit niet het geval en liet de Heere een iegelijk mens onbeteugeld allerlei boze begeerten volgen, dan zou er voorwaar niemand zijn die niet met daden zou bewijzen al de feilen en gebreken die Paulus ons in Romeinen 3 opsomt.
God bedwingt de uitbarsting der zonde gelijk als met een teugel, opdat zij in haar volle omvang niet uitbreke. Sedert de zonde als een gif in de mens werkt, geldt het vreselijke woord:
Er is niemand die God zoekt. Hun keel is een geopend graf, met hun tong plegen zij bedrog, slangenvenijn is onder hun lippen, welker mond vol is van vervloeking en bitterheid, hun voeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling en ellendigheid is in hun wegen en de weg des vredes hebben zij niet gekend. Zelfs de wijsbegeerte is van de juistheid dezer tekening ten volle overtuigd. Zo bestaat de gevallen mensheid en ten bewijze daarvoor verschijnt reeds aan het begin van haar geschiedenis de broedermoord, staat een Kain op, verteerd door nijd en strekt hij de moordende hand uit naar zijn broeder die God vreest. En dan hoort hij het ontroerende woord: En nu zijt gij vervloekt van de aardbodem. Zwervende en dolende zal hij worden voortgedreven door de beschuldiging van zijn consciëntie terwijl hij voelt dat de wrake des Heeren hem niet loslaat. Maar daarbij wordt nu ook openbaar, hoe de Heere zelf terstond optreedt als God, die de rechtsorde vastlegt en fundeert, want hij geeft Kain, ondanks zijn broedermoord niet over aan de willekeur van mensen, maar bestelt ook voor die moordenaar een Goddelijk recht.
Daarom al wie Kain dood slaat, zal zevenvoudig gewroken worden. Bovendien stelde de Heere een. teken aan Kain, opdat hem niet versloeg al wie hem vond. De Heere vestigt dus een rechtsorde.
(Wordt vervolgd)
„KRIJGSMAN".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1953
Daniel | 8 Pagina's