JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

opGRaVinGEn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

opGRaVinGEn

7 minuten leestijd

In het vorige artikel hebben we het gehad over verschillende voorwerpen enz., die min of meer dienstig konden zijn om de ouderdom van een laag in een ruïne te bepalen. Het heeft ons geen bevrediging kunnen geven.. We zijn toen geëindigd met de mededeling, dat het middel, om een palestijnse ruïne te dateren, de potscherf is. Deze potscherf is van zoveel belang, dat we gerust kunnen spreken van het dagelijks brood van de palestijnse opgraver.

De lezer zal wel begrijpen, wat we met de potscherven bedoelen. Heel vaak lezen we in de Bijbel over de pottenbakker. Hij maakte de vaten, potten en pannen voor dagelijks gebruik in grote hoeveelheden. Als deze gebruiksvoorwerpen braken, werden ze eenvoudig weggeworpen. Nieuwe waren er altijd meer dan voldoende te krijgen. Daardoor vinden opgravers van ruïneheuvels nu zoveel potscherven, dat men zou menen, dat de oude Palestijnen hun tijd hebben doorgebracht met het breken van hun potten en pannen. Eén enkele campagne van 1929 leverde in een bepaalde teil een oogst van ± 500 hl potscherven op. Er is zelfs een teil, die genoemd wordt Teil Tochar = de heuvel van potscherven, een naam, die men op iedere palestijnse teil zou kunnen toepassen.

Als de potscherf hèt dateringsmiddel is, dan blijkt uit het bovenstaande wel, dat we naar deze voorwerpen niet lang behoeven te zoeken. Och, het metaal was nog schaars en de bewerking een. hele kunst, en om het breekgevaar moesten in ieder huishouden de aarden vaten talrijk zijn.

De man, die de waarde van de in vroegere eeuwen weggeworpen potscherf ontdekt heeft, was de opgraver FJjuders Petrie. Hij deed de ontdekking in Egypte en paste ze op de palestijnse teil toe.

In Egypte had hij ontdekt, dat alle producten van aardewerk, huishoudelijke potjes en pannetjes, siervaten en voorraadskruiken enz. verschillende vormen aannamen in de verschillende periodes van het lange faraonenrijk. Toen hij nu in Kanaan de Teil el Hesi begon af te graven, verzamelde hij zorgvuldig de potscherven uit de verschillende lagen, en legde ze laag bij laag. Bij de studie van dit materiaal bleek al heel gauw, dat binnen iedere laag dc scherven nagenoeg gelijksoortig waren. Hij lette daarbij op handvat, oor, buikwelving, halsrand, versiering enz. Hiermee was in de grond het probleem van de datering der lagen opgelost. Men moest nu nog de absolute datum van een bepaald soort potscherf zien te achterhalen of te benaderen door het vinden van een uit het buitenland geïmporteerd model, waarvan men het tijdperk reeds kende, of van bronzen of ijzeren voorwerpen in diezelfde laag, waarvan de aanwezigheid of afwezigheid tenminste de richting der datering kon aangeven.

niet ty-Petrie heeft dat niet kunnen vinden. Hij kwam verder dan de ontdekking, dat bepaald aardewerk perend is voor een bepaalde laag.

Bliss heeft het werk voortgezet. Deze ontdekte op een - gegeven %noment een kleitafeitje in een laag het z.g. Zimrida-tablet, dat men zonder veel moeite kon indelen bij de Armarnabrieven = de buitenlandse correspondentie der farao's van 1411—1358 voor Chr. Aardewerk uit deze laag kon men dus dateren als een product uit de 15e eeuw voor Chr. Nu had men meteen de grensdata voor de hierboven en de hieronderliggende laag. Deze beide lagen kon men dateren met behulp van scarabeeën (zie vorige artikel). Hierbovenliggende potscherven van jongere datum, die reeds bekend waren, bevestigden de berekening. Uit deze enkele regels, hier achteloos neergeschreven, zitten jaxen van studie en van hard werken achter. We zullen er om de duidelijkheid niet dieper op ingaan. Onze bedoeling was slechts aan te tonen, het grote belang van de potscherf als dateringsmogelijkheid. In werkelijkheid is de nog wel iets ingewikkelder. zaak

Conclusie. Dc kennis der ceramiek (= aardewerk) is de onmisbare sleutel tot alle archeologisch onderzoek. Deze stelling wordt aardig geïllustreerd door het volgende verhaal: Een van de arbeiders van Bliss, een fellah, zei eens tegen hem: „Wij weten, wat gij doet: gij komt naar een teil, die vol goud en schatten ligt, en gij tovert deze om in potschex"ven. Dan graaft gij de potscherven op, neemt ze mee naar uw land. trekt de toverkracht weer terug en dan worden ze weer gouden schatten."

Op grond van bovenvermelde dateringsmethodes heeft men de volgende tijdvakindeling gemaakt:

I. Stenen $ Oudere steentijd tijdperk ( Jongere steentijd Chr ' IT Bronzen ( Vroe £ brons tot ± 2000 ^ v " tiirWri-! Midden brons 2000—1600 j. v. Chr. J P f Laat bi'ons 1600—1200 j. v. Chr. III IJzeren i Vroeg ijzer 1200—600 j. v. Chr. t'S' , 1 Midden ijzer 600—300 j. v. Chr. ujapeiK i Laat yzer 30Q_ 50 . Chr

Voor het stenen tijdperk heeft men met opzet geeix data genoemd. Ondanks verschillende pogingen om klaarheid te brengen in dat tijdperk, kunnen we zeggen, dat dit tijdperk nog gehuld is in een nacht van duisternissen met zeer weinig lichtpunten. Wij zijn gewoon de Schepping te stellen op ± 4Ö00 j. v. Chr. en daaraan blijven we vasthouden.

Laten we het stenen tijdperk, waar toch zo heel weinig nog van bekend is, verder buiten beschouwing, vaix het bronzen en ijzeren tijdperk vinden we spox'en in de Bijbel. Zo kunnen we vaststellen, dat de Israëlieten tijdens de woestijnreis leefden in het bronzen =• koperen tq'dperk. Immers letten we op de voorschriften voor de bouw van de Tabernakel, dan blijkt, dat er steeds sprake is van koperen haakjes, pennen, roosters, vaten, altaren enz. terwijl er geen melding gemaakt wordt van ijzer (Zie exodus 26 en volgende hoofdstukken.) Vallen ze Kanaan binnen, dan moeten ze oorlog voeren met volkeren, die reeds in de overgangstijd naar of in de ijzertijd leven, want deze mensen hebben ijzeren strijdwagens (houten wagens met ijzer beslagen, want ze worden met vuur verbrand).

In Sauls dagen leefden de Filistijnen nog in een overgangsperiode van 't brons naar het ijzer. Zie slechts naar de beschrijving van Goliaths uitrusting: „En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;

En een koperen scheenhanxas boven zijn voeten, een koperen schild tussen zijn schouders; en

En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmet zijner spies was van zes honderd sikkelen ijzers; en de schilddx'ager ging voor zijn aangezicht." (1 Sam. 17 : 5—7). Dat de punt van zijn speer van ijzer is, wordt uitdrukkelijk vermeld, omdat dit metaal toen nog zeldzaam was.

Tenslotte willen we nog wijzen op het vei'schil in steden uit de brons-en die uit de ijzertijd. De steden, die gesticht zijn in de bronstijd, zijn veel en veel sterker, wat de muren betreft b.v. Jericho. Deze bronstijdsteden troffen de Israëlieten aan, toen ze het beloofde land binnen rukten. Dit vindt zijn oorzaak hierin, dat de Kanaanietische bevolking uit de brons-of kopertijd despotische stadskoningen hadden. Deze koningen deden met de bevolking, wat ze wilden. Deze bevolking werd door die koningen verplicht tot herendiensten (vergelijk de lijfeigenen bij ons in de middeleeuwen.) Zo konden deze koningen sterke steden bouwen, 't Kostte hun toch geen geld.

„Waarhenen zouden wij optrekken? Onze broedei-s hebben ons hart doen smelten, zeggende. Het is een

volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe enz." (Deut. 1 : 20).

Breekt in Kanaan echter de ijzertijd aan, dan hebben cle Israëlieten zich daar al gevestigd en die kenden geen stadskoningen, geen herendiensten en geen onvrije horige volksgroep. De steden, die door hen gesticht zijn, zijn lang niet zo sterk, want dat kostte veel geld. Prachtig blijkt dat uit de opgravingen. In deze veranderde bouwtechniek weerspiegelt zich dus een staatkundige en sociale wisseling (Albright).

In Salomo's tijd komt weer iets terug van de vroegere sterkte. Die voerde de herendiensten weer in, maaide mensen, die het werk moesten doen. de lijfeigenen of horigen (slaafse uitschot) behoorden niet. tot de kinderen Israëls. „Aangaande al het volk. dat overgebleven was van de Amorieten, Kethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israëls, hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israëls niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafse uitschot tot op deze dag." (1 Kon. 9 : 20, 21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1953

Daniel | 8 Pagina's

opGRaVinGEn

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1953

Daniel | 8 Pagina's