RUST, BEKLEMMING, HEIMWEE.
Zij, die vanwege hun studie zich met de Nederlandse letterkunde moeten bezighouden, en zij, die uit liefhebberij de ontwikkeling van onze literatuur nagaan, werden op 't laatst van de Januari-maand min of meer opgeschrikt, dan wel even stilgezet, Hol-door het plotseling verscheiden van de bekende landse dichter Martinus Nijhoff.
Martinus Nijhoff (1394—1953)
Een overlijdensbericht van bekende personen zet daadwerkelijk ons tot de bekende „minuut-stilte". Die stilte behoeft ons niet door anderen opgelegd te worden bij officiële herdenking. En na die , , minuut" gaan we nog niet over tot de orde van de dag, maar we treden het verleden in om ons te vergewissen, wie het eigenlijk ook was die ons verliet. Wat heeft hij of zij gedaan, of eventueel nagelaten?
Ik weet het, dat het grootste gedeelte van de lezers van ons blad, geen acht zullen geslagen hebben op het simpele stukje over het heengaan van Nijhoff in hun dagblad en dat is volkomen te begrijpen; maar ik weet ook, dat er trouwe lezers zijn van deze rubriek, en daarom kan ik aan de overleden dichter niet zonder meer voorbijgaan.
De dichters, die echt dichter zijn, dus geen samenstellers van Sinterklaasrijmpjes of vervaardigers van prutsversjes ter gelegenheid van jubilea, verjaardagen, huwelijken en wat dies meer zij — de dichters, die waarlijk dichter zijn, spreken uit wat er leeft in hun tijd; wat de geest is van die tijd in de wisselende loop van het gebeuren.
Martinus Nijhoff, geboren in 1894, heeft de tijd gekend vóór de eerste Wereldoorlog, toen ons volk werd opgeschrikt uit zijn rust. Hij heeft de tijd doorleefd na die strijd en geconstateerd, dat alles zo anders was geworden als voorheen. Na de vrede van 1919 was de mentaliteit van ons volk volkomen veranderd. Voorheen was alles zo vredig en vrij in het goede Holland, zodat hij schrijven kon:
Holland.
Boven mijn hoofd hebt gij uw lucht gebreid: Een hemel, rijk van zon en wijd van wind — Terwijl ik juichend door de ruimten schrijd, Of aan uw borst lig als een drinkend kind. Rood van verlangen, bonzende van vragen, Ging weer een stuwen door mijn bloed, als breede •Dorpen aan uw glanzende einders lagen, En slooten weiden in figuren sneden. Het avondlicht zinkt door de vensters binnen. De bruine meubels denken aan elkaar, Een stervend woord wil overal beginnen — 't Eenvoudig leven Gods is diep en klaar: Een man in blauwen kiel en een vrouw in een Geruiten rok en witten boezelaar.
Het leven na de oorlog beklemt en benauwt, er komt een verlangen naar bevrijding, een „hongeren naar de eeuwigheid." Dit „hongeren" constateren we bij de moderne mens sterk. Evenwel, het is geen hongeren en dorsten naar de gemeenschap met God, maar een reikhalzen naar iets beters, iets dat niet uitgedrukt kan worden, iets onbekends, maar toch iets beters dan hier in deze wrange wereld. Nijhoff noemt dat betere „het derde land" en schrijft:
Zingend en zonder herinnering Ging ik uit het derde land vandaan Zingend en zonder herinnering Ben ik het tweede land ingegaan O God, ik wist niet waarheen ik ging Toen ik dit land ben ingegaan O God, ik wist niet waarheen ik ging Maar laat mij uit dit land vandaan O laat mij zonder herinnering En zingend het derde land ingaan.
In vele gedichten grijpt de dichter terug naar het verleden, vooral naar zijn jeugd. Toen was hij thuis in veiligheid bij zijn moeder. Èen sprekend voorbeeld hiervan is het gedicht:
De wolken.
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag Languit met moeder in de warme hei, De wolken schoven boven ons voorbij En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en: eenden, Daar gaat een dame, schapen met een herder — De wond'ren werden woord en dreven verder, Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keen, Ofschoon de hemel vol van wolken hing, Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
—• Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide En wijst me wat hij in de wolken ziet, Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet De verre wolken waarom moeder schreide —
Eigenaardig, kinderen willen gaarne en spoedig groot zijn; jongelingen en jongedochters willen zo gauw mogelijk de twee-kruisjes halen, maar dan, als die leeftijd is bereikt, dan moeten de dagen maar langzamer gaan. Dan komt er heimwee naar de jeugd, vooral als die jeugd „zonnig" is geweest. Dan zouden velen terug willen, maar dat is nooit te verwezenlijken.
Hoe eenvoudig heeft Nijhoff dit gevoelen hier in verzen vertolkt!
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1953
Daniel | 8 Pagina's