Verdronken land
Ik ben door het verdronken land gekomen Bij avond in het helder licht der maan. Hóóg hing het stro in takken van de bomen Die troost'loos langs de volle sloten staan.
Ik zag de polder door het zout bedorven Als had de dood de velden vaal getint, Resten van huizen, eenzaam, uitgestorven, Soms 't dak steunend op een krakend bint.
Ik hoorde er geen teken meer van leven In 't woeste land van wind en watersnood Was het de koude die mijn leên deed beven Of was 't de kille schaduw van de dood?
Verdronken land...; ik liet mijn blikken dwalen Over het veld in 't maan-en sterrelicht. Nu is de grote polder drooggemalen, Nu zijn de gaten in de dijken dicht.
Maar monotoon, met zware, doffe slagen Dreunt in het dorp de doodsklok, elke dag, Als wéér een kist naar 't massagraaf gedragen Wordt met een lijk dat in de polder lag.
God gaf orkaan en springtij Zijn bevelen: Zwaar heeft Zijn oordeel in dit land gewoed. Hij sloeg het, maar Zijn handen kunnen helen.: Zijn troon staat eeuwig boven storm en vloed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1953
Daniel | 12 Pagina's