WATERSNOOD
III.
Is dat alles wat mij overschoot, wat wrakhout, puin en dichtgeslagen gronden? Waarom werd mij op tijd nog hulp • gezonden, dat 7, niet verging in deze barre nood?
De muren wrikten los door zware stoot, geen hechte bouwsels 't woest geweld doorstonden, ons mens'lijk kunnen werd te zwak bevonden, de aanval was zo plotseling en zo groot.
Nu sla ik wankel bij mijn zoute grond; j waar haal ik kracht om weer opnieuw te bouwen? De vloedgolf brak zo wreed mijn broos betrouwen,
één woestenij is 't waar mijn woning stond. Laat mij een teken van Uw gunst aanschouwen, een pleister voor de diepgeslagen wond.
WATERSNOOD
IV.
Wij zijn niet beter dan die honderdtallen, die 't leven lieten met het arme vee, dat overspoeld iverd door de wilde zee, die teugelloos in 't rustig land kwam vallen.
Gij zoudt rechtvaardig zijn, wanneer wij j allen verdronken waren, en 't ontzaglijk wee van allen weggesleurd had huis en stee en 't vee, in doodsangst schreeuwend in dc stallen. |
Gij hebt de storm weer 'f zwijgen opgelegd; de ivrede vloed hebt Gij nog willen keren. O, mocht Gij verder wee van ons toch
weren, \
en wil ons voor Uw aangezicht ver neren. Als G' U onttrekt, wat komt van ons terecht?
Wil ons door Woord en Geest Uw wegen leren.
M. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1953
Daniel | 12 Pagina's