JOHN G. PATON
Gewerkt zolang het dag was.
We zijn in Melbourne, de bekende stad in Australië, vanwaar de zendelingen uittrokken naar de vele eilanden in de Stille Oceaan.
Er is vanavond bijeenkomst, uitgaande van het Zendingscomité. Een bekende zendeling zal het woord voeren. Iedereen weet het, en velen willen de oude man nog eens graag zien en horen. De naam Paton is niet meer onbekend gebleven in het land. Van alle kanten komen de mensen aan. Nu is het wachten nog op de grijze zendeling. Wachten duurt lang. Het maakt de aanwezigen ongeduldig. Zou hij toch wel ?
Geen nood, hoor! Daar is hij! Wat wordt hij oud; hij loopt zo gebogen. Kijk, ze moeten hem het spreek' gestoelte ophelpen. Zijn lange haren zijn spierwit. Zijn volle, lange baard is even wit als zijn hoofdhaar.
Maar, wat is het ineens stil in de zaal. Is het alleen omdat Paton binnen treedt, en omdat hij een weinig ondersteund moet worden? Toch niet, er is iets an^ ders. Er is iets bizonders aan de zendeling te zien. Nog witter dan de haren van de man, steekt een hoofdverband af. Patons hoofd is verbonden. Wat is er gebeurd ? Dat is voor de meeste aanwezigen een vraag, waarop men geen antwoord weet.
Er is geen tijd om hierover na te denken ook, want de oude man is al begonnen om in een roerend gebed de noden en behoeften God op te dragen. En na het gebed spreekt hij tot de vergadering over de zending op de Hebriden. De spreker weet wat zending is: het grootste gedeelte van zijn leven heeft hij besteed om de heidense bevolking van de Zuidzee-eilanden te brengen, onder Gods zegen, tot de kennis van de enigste Naam die gegeven is tot zaligheid.
Men voelt het aan: deze man spreekt niet wat in de ruimte, maar hij weet wat hij zegt; neen, nog meer, zijn ziel is diep bewogen met de toestand waarin nog zovele heidenen leven. En hij vraagt om hulp, die te geven is door middel van geld en door gebed. Gebeden zijn zo nodig voor de arbeiders, die veelal op zulke moeilijke posten staan.
Na afloop wijst de collecte wel uit, dat de woorden van Paton niet zonder succes zijn geweest. De beurzen zijn open gegaan. En opnieuw is de noodzaak van de zending op de harten der toehoorders gebonden.
Hoe kwam het nu eigenlijk dat de oude Paton met een verbonden hoofd het woord voerde op de zendingsbijeenkomst? Die dag was er een ongeluk gebeurd. Paton zat in een rijtuigje met een vriend van hem. Het paard, dat het rijtuigje trok, schrok van het gefluit van een naderende trein. Het voertuig viel om en beide mannen werden er uitgeslingerd. De zendeling smakte met zijn hoofd op de grond en bleef bewusteloos liggen. Op het eerste gezicht dacht men, dat de man dood was. Maar gelukkig kwam de oude bij. Hij had wonden aan zijn hoofd, die niet ernstig waren.
„Nu zal er niets komen van uw spreekbeurt vanavond, " sprak zijn vriend.
„Ik zal het toch proberen, " antwoordde de gewonde. „Dat zal in geen geval gebeuren, hoor!" ging de vriend verder.
En wat antwoordde nu de moedige Paton? „Waar ben ik anders voor gespaard, " zei hij, „dan 0111 elke gelegenheid aan te grijpen om te pleiten voorde verloi'engaande heidenen? "
Tegen zulk een gezegde kon de vriend niet op. Paton moest werken. In een brief schreef hij:
„Zelfs in mijn grootste zwakte ben ik gelukkig" als ik maar werken kan in de dienst van Jezus. Stilzitten kan ik nergens. Altijd heb ik dan ook gebeden, dat ik nooit een rüstend zendeling mocht zijn en God mij mocht toestaan om te werken tot het einde."
Hoe graag zou hij nog eens naar Aniwa en de andere eilanden gaan! Maar liever kon niets van inkomen. Met grote klem wees het zendingscomité dit verzoek af. De doktoren dachten er niet over om toestemming te geven. De zendeling moest over de eilanden maar zwijgen.
Moest hij dan nu het overige van zijn leven maar op een stoel zitten? Neen, 't was wel anders. Luister maar even naar een stukje uit zijn allerlaatste brief:
, , Na drie weken van onafgebroken werken en veel reizen, w'aarin ik niet vóór 's nachts tussen één en twee naar bed ging om de volgende morgen weer vroeg op weg te gaan voor nieuwe samenkomsten, kwam er een instorting als laatst in Canada.
Ik was te pijnlijk en te zwak om op te staan en moest om een dokter zenden, die me niets anders kon voorschrijven dan alle werk stop te zetten en rust te
nemen. Dit was ik een dag lang genoodzaakt te doen; maar de volgende dag had ik weer een lange spoorreis. Ik had daarna veel inwendige pijn, maar sprak toch voor twee grote vergaderingen. Sindsdien ben ik aan het opknappen, maar ik gevoel me nog niet sterk noch vrij van pijn, nacht noch dag. In grote haast
P.S. De post is op het punt van te sluiten." Sterk zou hij niet meer worden. Langzaamaan werd hij losgemaakt van het aardse leven. Vooral toen hij eind December 1906 het treurige bericht ontving, dat zijn jongste broer James plotseling was gestorven. James was predikant in Glasgow geweest en hij was de lievelingsbroer van de zendeling. Wat smartte hem dat verlies! Vanaf deze tijding wenste hij niet meer op te sterken dan alleen, indien het mogelijk was, om nog eens naar Aniwa te gaan.
Na een nieuw medisch onderzoek vroeg hij aan de dokter: „Zou ik in Januari nog naar de eilanden kunnen gaan? "
't Was niet meer nodig. De lichaamskrachten namen van dag tot dag af en in diezelfde Januari-maand overleed hij. Op 28 Januari 1907 werd hij afgelost. Zijn lange, werkzame leven was ten einde. De eeuwigheid zal openbaren hoevelen er zijn, die vrijgekocht zijn door het bloed des Lams, waarvoor hij het middel heeft mogen zijn.
In de zendelingsliteratuur wordt hij genoemd „Apostel der Hebriden." Deze toenaam heeft John Paton ten volle verdiend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1953
Daniel | 8 Pagina's