De leeuw heeft gebruld.
, , De leeuw heeft gebruld; wie zou niet vrezen? De Heere Heere heeft gesproken; wie zou niet profeteren? " Amos 3 : 8.
„Wie oren heeft om te horen, die hore!"
Heeft God niet duidelijk gesproken in de ontzaglijke ramp, waarmede ons land getroffen werd. Al Gods doen is als een spreken: „Hier ben Ik! Dit ben Ik! Hetzij dat Hij spreekt van Zijn liefde, of door de donderende dreuning van Zijn toorn. Heel de geschiedenis is één roepstem Gods in telkens wisselende klanken: , , Ik ben God"
Is de geschiedenis geen langzaam en geleidelijk openvouwen van het boek van Gods verborgen raad, en van Gods heimelijke gedachten?
Ook wat ons land en volk overkwam in die verschrikkelijke ramp, is niet geschied buiten die raad! Het was niet enkel de stórm, ook niet de springvloed, die door haar onberekenbare kracht onze dijken deed breken, onze zeer vruchtbare landstreek overstroomde, waardoor zóveel mensen en beesten hun einde in de golven vonden, en die ontzaglijke verwoesting teweeg bracht, neen, de Héére heeft gesproken, ja, zó duidelijk, als het brullen van een leeuw.
Ontzagwekkend en vreselijk is het brullen van de koning der wildernis. Het heeft op Amos een diepe indruk gemaakt, want telkens keert hij tot dit beeld terug.
En dit woord zegt tot óns: De Heere, heeft gesproken!" Jehova
Hebben ook w ij in die ramp Gods stem gehoord en hebben ook w ij leren vrezen? Heeft het ons persoonlijk en innerlijk aangegrepen? Is het bij ons niet maar slechts een vrees als voor een onweersbui, want als die weg trekt, keren wij ons weer naar ons oude pad, maar is het een heilige vrees, gepaard gaande met verootmoediging in het verborgen voor Gods aangezicht? Hebben wij daar uitgeroepen: , , Heere, dat ik niet vernield ben, dat ik niet weggestormd ben en mijn leven in de watervloed verloren heb? "
Zijn wij uitneinender dan zij?
Dan, ja dan wordt het een wonder, dat voor ons de genadetijd nog niet werd afgesloten. Dat wij ons schuldig voor God leren kennen. Dan wensen wij niet, dat het óver gaat, maar dan zullen wij vragen, of er nog een weg van ontkoming is cn of er nog genade kan gevonden worden.
O wonder, die weg is er! Die weg heeft God zélf in Christus ontsloten voor de grootste der zondaren. Dan is geen zondaar te groot, want Jezus' bloed reinigt van alle zonden.
Als dat onze evacué's eens ervaren mochten, dan zouden zij God overhouden en dan zouden zij alles hebben.
In de wereld vóór de zondvloed ging het vrolijk toe. Men zong, men at en dronk, men vierde bruiloft, terwijl Noach de ark bouwde. Maar toen de fonteinen des afgronds en sluizen des hemels werden geopend; toen de vloed steeg, en steeg... toen verstomde de lach, toen smoorde de vloek; de pochers werden bleek en de kreet weerklonk:
„Wee onzer! Wee onzer!"
Hoe was het met ons volk gesteld? ... Gingen ook wij niet op in sport en spel? ... Werd de dag, die God geheiligd heeft, niet ontheiligd? ... Wat had de vreselijke oorlog ons geleerd? ...
Helaas, van een terugkeer tot de wet en de getuigenis is weinig bemerkt. Integendeel, er was een voortgaan op de weg, die van God afleidt. Zou dat niet het allerontzettendste oordeel zijn, als wij aan de verharding des harten worden overgegeven? Daarom roepen wij:
„O land, land, land! Hoort des Heeren Woord!"
Ook in Sion wordt het geluid gehoord en Sions kinderen beven. Eigenlijk moest dit zo niet zijn, want het is de stem huns Gods, Die hun Zijn beloften geschonken heeft. Maar de verhouding tot den Heere en tot elkander is niet altijd in een zuivere harmonie. De levendigheid van het innerlijke leven is helaas zo weinig. En hoe zijn de verhoudingen tot elkander? Wat is de liefde verre
geweken. Twist en tweedracht zijn aan de orde van de dag. Maar waar is het getuigen, wat Amos in onze tekst , .profeteren" noemt en wat in deze de taak van kerk en volk is?
Zou Amos zo moedig en heilig het Woord Gods hebben kunnen profeteren, als hij eerst zelf niet voor dat Woord had gevreesd, als zijn ziel er niet bij gesidderd had? Niet slechts een natuurlijke angst voor het gericht, maar in kinderlijke vreze voor de grootheid in Gods Naam. Hij was toch een eenvoudige man uit Thekoa, een ossenherder, die wilde vijgen at; een man, die geen opleiding had gehad en die toch optrad in het midden des volks en die tegen rijken en armen, priesters en oudsten, vorsten en koningen, zijn stem verhief en hun zonden in felle woorden berispte, ondanks de spottende vraag:
, , Wat zal die boerenman uit Thekoa? "
Dat kan alleen hij, die het oordeel aan zijn eigen hart gevoelt. Alle praten, zonder beleven, is hart-en liefdeloos. Dan praten we er óver, maar niet er üit. Profeteren, zoals Amos deed, kunnen we niet. Wij hebben immers het profetisch woord? ... O zeker, de kerk houdt het profetisch woord hoog in ere, maar hoe staat het nu met onze taak, ons door God opgelegd, om een zoutend zout en een lichtend licht te zijn? ...
Vraagt het in de eerste plaats aan de predikers in onze dagen. Prediken wij volgens de omschreven lastbrief van den Koning Zijner Kerk? ... Staat daarin niet geschreven: ..Zegt het den goddelozen, dat het hun kwalijk zal gaan en den rechtvaardigen, dat het hun wel zal gaan!"
Roepen velen niet: , , Vrede, vrede en geen gevaar? "... Maken wij ons vrij van het bloed van hen, die aan onze zorgen zijn toebetrouwd? Houden wij vast aan de al-oude regel door God Zélf in Zijn Woord omschreven en in de belijdenis vastgelegd? —
Immers, om getroost te leven en te sterven, zijn toch drie stukken nodig om bevindelijk te leren kennen, namelijk:
le Hoe groot onze zonden en ellende zijn,
2e Hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost wordt, en
3e Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn.
O, laten wij toch bedenken, dat er een dag komt, dat wij voor Gods rechterstoel zullen staan met hén, aan wie wij het woord gebracht hebben. Zullen wij dan kunnen zeggen vrij te zijn van hun bloed? ...
Zet daarom de bazuin aan de mond en brengt een zuiver geluid voort, opdat het volk zich door genade zal opmaken tot de geestelijke strijd. Zouden ook Gods kinderen niet profeteren? ... Is dat ook niet hun taak? ... Met de tong in het hart, met de tong in de mond, maar ook met de tong in de wandel.
Denkt er toch aan, door deze watervloed heeft God ook tot ü gesproken. Is hetgeen geschied is, geen voorspel van het einde? ... En zouden wij nu slapen, daar de vloedgolf van Gods gericht over ons gegaan is? ...
Dat het ons mocht gaan als de slapende Jona, die in de storm wakker werd gemaakt en beleed, dat die storm om zijnentwil geschiedde. Hoe gaf hij zich onvoorwaardelijk aan God over en wat kreeg hij daarna Gods grote daden te zien.
Maar zijn wij ook zelf profeten in het midden van het , , Sodom", waarin wij leven? ... Och, dat wij, ontrouwe profeten, ontwaken mochten uit die droeve slaap, om in diepe verootmoediging voor den Heere onze persoonlijke schuld te bekennen en door het zaligmakende geloof tot Hem, dien groten Hogepriester, te vluchten, om barmhartigheid te verkrijgen en in het midden van deze boze tijd onze heilige roeping te beleven.
Dat God de ernstige roepstem heilige aan onze harten, opdat uit al dit nameloze verdriet, waar wij ook denken aan zóvelen, die in rouw gedompeld werden, nog eeuwigheids-vruchten geboren werden. Maar bovenal, dat God in en dóór ons verheerlijkt werde!
Wij besluiten met een kort gedicht van verzen, dat wij ergens lazen: twee
Wat klaagt men toch, dat Gij met Uwe zegen zo van ons vliedt en stort Uw gulden regen op ons bedrijf niet meer, maar laat verslappen 't gewin van handwerk, zee en koopmanschappen?
Wij zijn ontrouw aan U — en daarom wijkt Gij nu: de winsten, die wij kregen, misbruikten wij tot kwaad, tot lust en overdaad en vloekten zo Uw zegen.
't Is billijk Heer', dat Gij met ons zo handelt en met ons volk in tegenheden wandelt.
Maar ei! vergeef de schuld, verzacht Uw slagen Wij vallen LI te voet, om Uwe gunst te vragen.
Reik ons Uw hand maar toe en word toch nimmer moe ons wel te doen: wij hopen dat niets in 't ruim heelal ons ooit bewegen zal weer van U af te lopen.
Ds. A. Verhagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1953
Daniel | 8 Pagina's