Dr. H.F. Kohlbrügge
K's strijd betrekt zich vooral op het leerstuk der heiligmaking, hoewel hij ook afwijkingen heeft omtrent de gereformeerde leer van het „beeld Gods" en het „Woord Gods".
Deze strijd staat in nauw verband met zijn accentueren van de rechtvaardiging of rechtvaardigmaking alleen door het geloof. En dit accentueren van de r.v. kwam voort uit de toenmalige tijdgeest. Zijn tijd was de tijd van het moralisme, de valse heiligmaking (h.m.).
Dit moralisme achtte hij terecht een groot gevaar voor de evangelische boodschap van de r.v. door het geloof alleen. Het moralisme wortelt in de natuurlijke mens, brengt dode werken voort en kan deze nooit doen gelden, noch ter rechtvaardig-verklaring, noch in een vermeende, valse h.m.
Maar de r.v. door het geloof alleen is radicaal: zij gaat van God uit, geschiedt op grond van Christus' verdiensten, die de zondaar worden toegerekend en door 't geloof aangenomen.
Onze werken kunnen nooit de grond zijn van onze r.v. Maar ter anderer zijde ging K. spreken van een „dood en verrot" zijn, ook ten opzichte van de wedergeboren mens.
Dit was gevaarlijk, eenzijdig. Het leek er op, dat een uitverkoren zondaar wel deel krijgt aan de r.v., maar leeft buiten de h.m.
Beide zijn echter onverbreekbaar verbonden, wel onderscheiden maar niet gescheiden.
Dit is te begrijpen, daar de eerste weldaad betrokken is op de wegneming van schuld en straf, de tweede op de wegneming van de smet, het herstel van het beeld Gods, niet in trappen maar in delen.
Beide weldaden gaan dan ook altijd samen; al is het waar, dat in doorleving de ene meer op de voorgrond treedt dan de ander, al naar de stand.
Ds. Kersten zegt het in zijn Dogmatiek zeer duidelijk: , , Het is niet zo, dat Gods kinderen eerst gerechtvaardigd worden en later tot betrachting der h.m. komen; doch van stonden aan worden zij gerechtvaardigd en geheiligd in Christus' bloed en door Zijn Geest. In hun levendmaking is een staatsverwisseling en hebben zij ontvangen een lust, om in al de geboden Gods te wandelen; en was het hun mogelijk, zij zouden volmaakt willen leven."
Hier liggen voetangels en klemmen. Door zijn standpunt eenzijdig te nemen in de r.v. loopt men gevaar in het antinomisme terecht te komen; door het idem in de h.m. te nemen in het nomisme (wettischheid).
Het eerste deed K. Wel werd hij geen antinomiaan, maar zijn volgelingen wel. Zij gebruikten soms afschuwelijke uitdrukkingen.
K. bedoelde (dit houde men wel voor ogen) een goede strijd te strijden tegen de wettische h.m. en begon uitdrukkingen, die op 't kantje af waren en ver van onschuldig.
De reeds genoemde Dr. Krummacher waarschuwde hem dan ook, dat hij slim doorstootte in de richting van de antinomianerij.
Het was, toen K. nog tot de Herst. Luth. Kerk behoorde, dat hij opgeschrikt werd uit zijn zonden en afdwalingen, uit zijn zich overgeven aan zingenot en daarom rust ging zoeken in zelfvolmaking, in eigenwillige godsdienst.
In die weg werd hij door de machtige hand Gods getroffen; al zijn luchtkastelen zag hij in puin vallen. Hevige angst vervulde hem. Hij zag zich voor de hemelse iRechter geplaatst; hij zag de onmogelijkheid om door eigen werken te voldoen, gerechtigheid voor God te verkrijgen; maar hij vond rust in het geloof.
Van dit laatste neme men goed nota!
In hetzelfde jaar (1825) deed K. zijn eerste preek te Loenen a.d. Vecht over Rom. 5:1.
Thema: De zalige gevolgen der r.v. eens zondaars door Jezus Christus.
't Was eigenlijk de zoeven geschetste bekering, die hij in de preek verwerkte.
Na deze treedt nu sterk de prediking der h.m. op de voorgrond; daarin zoekt hij rust; hij predikt de eis van een nieuw leven.
Maar K. is een reagens, een gevoelsmens. Er gaat iets gebeuren in zijn leven, dat hem een andere koers doet inslaan ten opzichte van de plaats der h.m. Het wordt: alleen de prediking van de vrije genade Gods. Hij dringt om het zo eens te noemen de h.m. terug in de r.v. „Hij gaat", gelijk zeker schrijver opmerkt, , , de keten der verlossing (roeping, r.v., h.m.) in 't midden vastpakken."
Dat gebeuren had plaats tijdens zijn eerste bezoek aan Elberfeld in 1833, door mij voorheen reeds genoemd.
Ook van deze gebeurtenis neme men goed nota, want van nu af aan zijn al zijn preken, ook die posthuum (na zijn dood) zijn uitgegeven, zoals hij het zelf uitdrukte, „aus einem Gusse"; we zullen maar zeggen van dezelfde strekking.
C o r r i g e n d u m. In het vorige artikel stond r. 9 v. o. het foutieve woord „citus" (= snel!). Dit moest natuurlijk zijn: „ritos" (= eredienst). a. b.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1953
Daniel | 8 Pagina's