Opgravingen
De opgraver.
De Palestijnse opgraver van de moderne tijd. die zich in vroege Maandagochtend met een geriefelijke auto naar zijn opgravingsveld begeeft en des Zaterdags na het uitbetalen der weeklonen even geriefelijk naar Jeruzalem terugkeert, hij kent zijn weelde niet. Hij moge klagen over ruwe wegen, in de vlakte van Jizreël vechten met de voortdurende dreiging van de malaria, op de ruïnes in het diepe Jordaandal de hitte van de dag zwaar voelen of op de zandheuvels in de buurt van Gaza de gesel der dwarrelende stofwolken doorstaan, zijn voorgangers op dit gebied in vorige eeuwen hebben nog heel wat zwaardere lasten gehad en toch magerder resultaat bereikt.
Over die opgravers uit vroeger eeuwen zullen we maar zwijgen. Hun werk was primitief en de resultaten van geringe waarde. Slechts zij hier terloops opgemerkt, dat keizerin Helena de eerste opgraafster is geweest. Zij toch was het, die in 326 op bepaalde plaatsen in de grond liet graven, om overblijfselen van het graf en het kruis van de Heere Jezus te vinden. Verder zullen we geen namen noemen, omdat de lezers van , , Daniël" daar weinig mee gebaat zijn. Het zijn er echter tientallen geweest. We stellen ons voor, iets mee te delen over de persoon van de opgraver, omdat we geloven, dat er bij velen een geheel verkeerd idee over opgravers en opgraverij heerst. Sommigen toch menen, dat opgraverij en studie van de resten der oude beschavingen de meest dorre en steriele van alle bezigheden is, alleen geschikt voor oude heren, wie de belangstelling in de levende wereld is vergaan. In het oordeel van de meeste mensen daarentegen schijnt dit vak zo ongeveer het alleravontuurlijkste bestaan te zijn, dat een jongeman kan verkiezen, zo iets dus als het leven van de goudzoekers uit vroegere jaren, waar we in onze jeugd over lazen. Om de persoon van de moderne opgraver goed voor ogen te krijgen, moeten we bovenstaande opvatting voorgoed losla-
ten, want, en vergeet dat nooit: Opgraven een technisch vak. is
1. Allereerst moet de opgraver beschikken over geld, veel geld zelfs. Een onderneming, die iets nieuws wil produceren, heeft geld nodig, maar ook voor wie iets ouds wil terugvinden, is geld onontbeerlijk. Zelden worden vondsten gedaan met een hoge museumwaarde, zodat opgraving louter een uitgave van geld is, zonder dat enige inkomsten daar tegenover staan. Hier volgen enkele kosten:
voor de kleine onderneming op Teil Taanach
25000 Oostenrijkse kronen;
het werk bij Megiddo 70.000 marken;
Askalon: het blootleggen van de oude stad werd
niet bereikt bij gebrek aan geld;
Gezer kostte 5000 Engelse ponden;
Samaria 400.000 marken en 2000 pond, enz.
Wanneer men nu bij deze getallen bedenkt, dat ze genomen werden uit een tijd, toen men voor een gulden nog heel wat kopen kon, begrijpt men gemakkelijk, welke waarde ze in hedendaags geld vertegenwoordigen.
2. Veel zwaarder zo mogelijk, dan de eisen, die aan de geldbeurs gesteld worden, zijn andere, meer persoonlijke eisen, die aan de opgraver gesteld worden. Ferdinant Jones Bliss, een Amerikaan in dienst van de Engelse P. E. F. (Palestine Exploration Fund) zegt in één van zijn boeken: , , De ideale onderzoeker moet de kwaliteiten in zich verenigen van aardrijkskundige, een geoloog, een natuurkundige, een architect, een archeoloog, een ethnoloog, een geschiedkundige, een epigraphist, een bijbelkundige, een schilder, een mysticus en een dichter. Als hij tevens opgraver is, moet hij daar nog bij bezitten de kundigheden van een ingenieur en van een mijnbouwer. Maar allereerst en boven alles moet hij een man zijn van gezond verstand."
Men begrijpt wel, dat één persoon deze eigenschappen niet in zich kan verenigen. Daarom heeft een moderne opgravingsexpeditie een hele staf van personen, en men houdt bij de samenstelling daarvan zoveel mogelijk rekening met iedere kundigheid van de leden. Bij een opgraving in Egypte moet de expeditiestaf de beschikking hebben over minstens een egyptoloog.
3. Maar behalve al de genoemde kwaliteiten, waarvan iedere opgraver er thans nog slechts enkele behoeft te bezitten, zijn er andere eisen, waaraan alle moeten voldoen, tenminste zij, die van de opgraverij een ernstig vak willen maken.
Allereerst moet dan de Palestijnse opgraver beschikken over een eindeloos geduld. Immers schatten worden op zijn terrein slechts zelden gevonden. Trouwens al worden die wel gevonden, dan zijn dié het nog niet, die het meest bijdragen tot de ontwikkeling der archeologische wetenschap of tot het verstaan van de H. Schrift.
Het graf van Toetanchamen b.v. leverde bij de opgraving zoveel rijkdom en schittering op, dat er drie flinke zalen in het museum van Caïro mee gevuld konden worden, maar voor de kennis van de Egyptische geschiedenis en beschaving had dit alles weinig waarde. De armoede van een oude begraafplaats is dikwijls veel belangrijker. De opgraver moet er dan ook rekening mee houden, dat niet het resultaat van iedere dag het loon van zijn arbeid uitmaakt, maar het gehele cultuurbeeld, dat hij zich na één of meer jaren opbouwt. Ook om naar die overtuiging altijd te handelen en zich niet te laten verleiden tot een jacht op sensationele vondsten heeft de opgraver een goede dosis geduld nodig. Vaak is het ook zo, dat het gevondene op het ogenblik der ontdekking onverklaarbaar is, maar als men later het geheel der ruïne en haar cultuur overziet of het vergelijkt met andere opgravingen, kan het duidelijk worden. Maar daar is geduld voor nodig. Geduld moet de op graver ook vaak hebben ten opzichte van zijn arbeiders. Het zijn meestal Bedouïnen en Fellahs. Nu zijn deze mensen vreselijk traag. De traagheid is hun tweede natuur geworden bij het zorgeloze leven onder de zongebrande tenten of achter de makke schapen, die zij loom voortdrijven door de magere woestijnen. De opgraver in Palestina inoet, ronddrentelend over zijn ruïne, een beetje aan hen gelijk worden in geduld. De afgraver van Lachis schreef: , , De Fellah's van de buurt zijn lui boven alle beschrijving. Slechts één achtste van de oorspronkelijke ploeg werd in die zes weken niet om luiheid ontslagen. Als men er niet bij stond, zag men hen nooit iets doen, en stond men er bij, dan zag men slechts, dat ze niets deden: dat was het enige verschil." Tijdens de oogst laten ze je gewoon in de steek.
Verder moet de opgraver waakzaam zijn, want het komt nogal eens voor, dat eigen werklieden of vreemde indringers vervalsingen en bedrog trachten te plegen door nieuwere dingen te willen laten doorgaan voor heel oude. En tenslotte is de uiterste n a u w k e u r i g h e i d geboden. De opgraver moet zich nooit voorstellen iets te zoeken, hij heeft slechts te vinden en zijn vondsten moet hij registreren, scrupuleus en nauwkeurig. Dit register is zijn allervoornaamste taak en in de geduldige nauwgezetheid daarvan ligt zijn verantwoordelijkheid voor het nageslacht, want, en dit moet men goed voor ogen houden: Opgraven is afbraak.
Wat men eens afgegraven heeft, kan men nooit over doen en men kan later ook niet nog eens gaan kijken. Het nageslacht is niet in staat om het objectieve en nuchtere feitenmateriaal opnieuw te verzamelen. Dikwijls wordt een opgraving vergeleken met een chirurgische operatie, met welke vergelijking men zeer juist de graad aangeeft van nauwkeurigheid, die de opgraver aan de dag moet leggen. Maar dan is het toch een operatie, waarbij de patiënt geen baat vindt en enkel maar bloed verliest, als hij zelfs niet stuksgewijze geheel wordt weggesneden.
De opgraver moet er naar streven met zoveel nauwkeurigheid te werk te gaan, dat hij zijn , , patiënt" na vele jaren aan de hand van zijn schetsboek en dagboek weer in elkaar kan zetten. Eerst dan zal hij niet voor immer hebben verwoest, wat moeder aarde soms duizenden jaren lang met zoveel zorg had bewaard.
W. v. DIJK.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1953
Daniel | 8 Pagina's