1952-1953
Wij zijn weer genaderd aan het einde van het jaar 1952. Nog slechts enkele dagen en enkele uren, en het is in het niet weggezonken, als een voorbijgaande schaduw. En zullen wij nu dat stervende jaar zo laten voorbijgaan ? Moeten thans niet onderscheidene vragen voor onze aandacht gebracht en in overweging genomen worden? ook voor de redactie en medewerkers alsmede de lezers van ons geliefd blad Daniël?
Hoe zijn wij dit jaar begonnen, en hoe hebben wij het ten einde gebracht? Zeker zal schuld ons aangezicht bedekken, en zullen wij ook voor die arbeid verzoening nodig hebben. Toch heeft de Heere niet gehandeld naar zonde en schuld, maar deed Zijn goedertierenheden nog roemen tegen een welverdiend oordeel. Niet een van al onze medewerkers werd door de dood weggenomen, en al moest uw hoofdredacteur een ernstige operatie ondergaan, toch zijn wij niet vanéén gerukt. Er gaat over de ganse wereld een geest van verbreking, maar ook daarvoor werden wij gespaard.
Wij mochten een ieder op zijn terrein medewerken aan het geestelijk en natuurlijk belang van onze rijpere jeugd. Dat stemme ons tot ootmoedigheid, en dat onze geringe arbeid door de Heere nog gezegend mocht worden is onze oprechte wens. Dat ook in het komende jaar onze ogen op Hem gericht mogen zijn. Dat Zijn aangezicht met ons mocht medegaan, want dan alleen kunnen wij gerustgesteld zijn. De Heere geve ons nieuwe lust en kracht in het komende jaar, en doe ons in eensgezindheid de begonnen arbeid in Zijn kracht voortzetten. Ook wensen wij de lezers van ons blad datgene toe, wat voor de tijd en de eeuwigheid nodig is. De Heere mocht nog Zijn Geest geven over ons zaad, en Zijn zegen op onze nakomelingen.
De Hoofdredacteur,
Ds A. VERHAGEN.
In aansluiting op bovenstaande wil ook ondergetekende gaarne en van harte Gods onmisbare zegen voor het komende nieuwe jaar toewensen aan al onze lezers en lezeressen, de Hoofdredacteur en de andere leden der redactie, onze verenigingen, de voorz. van het L.V. en de leden van het Hoofdbestuur, de medewerkers van „Daniël" en de agenten van ons blad. Deze wens geldt ook het personeel van de drukkerij.
De Heere make het in 1953 met allen en in alles wel en £eve het ieder onzer ons leven te mogen leven in diepe afhankelijkheid van Hem.
H. HOOGENDOORN.
geloofsbelijdenis: „Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde".
De gewijde geschiedenis van het nieuwe testament kan aanvangen met het Artikel: „En in Jezus Christus Zijnen eengeboren Zoon onzen Heere, Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria".
Het in het paradijs beloofde vrouwenzaad, is na een wachtenstijd van veertig eeuwen in de volheid des tijds gekomen. De tijd van Zijn komst en het doel van Zijn komst wordt door de apostel Paulus saamgevat in de bekende woorden: „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou, en wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden". Voor degenen, die onder de wet zuchten en door de wet aan hun schuld en zonden werden ontdekt, is de komst van die meerdere Boaz een oorzaak van verwondering en blijdschap.
Onze Apostolische belijdenis begint met de woorden: „Ik geloof". - De geloofsgenade als een gewrocht van de Heilige Geest is strikt persoonlijk. De Heilige Geest gebruikt niet alleen de wet om de zondaar te ontdekken, maar ook het evangelie om hem levend te maken.
Het Kerstevangelie moet ons niet alleen van de kansel worden gebracht, maar ook uit de hemel. Een mens kan geen ding aannemen, tenzij het hem van Boven geschonken worde. Dan worden onze oren doorboord en ons hart geopend en zeggen we met de dichter: „God, heeft eenmaal gesproken en ik heb het tweemaal gehoord". Dan horen en geloven we niet alleen het gepredikte Woord, maar dan zoeken en vinden we ook het vleesgeworden Woord.
„U dan, die gelooft, is Hij dierbaar."
Dan stemmen we in met de lofzang van Jesaja: „Want een Kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven".
Op de vraag van onze Heidelberger: „Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? ", mag Gods kerk antwoorden: „Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijne onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt".
Toen de beproefde Naomi het gerucht had vernomen, dat. God Zijn volk had bezocht en er weer brood was in Bethlehem (Broodhuis) heeft zij met Ruth de grote reis gemaakt.
We leven in een tijd van zielloze rechtzinnigheid en boze critiek. De verzadigde ziel vertreedt het honingzeem, maar de hongerige ziel is al het bitter zoet.
Mochten op het komende Kerstfeest Gods kinderen, hetzij bevestigd of bekommerd, met Naomi en Ruth in de geest optrekken naar Bethlehem, om Hem te zoeken en te vinden, die het ware brood des levens is.
Gaan we met een woordenzeef naar de kerk of met ledige vaten? De beste stuurlui staan helaas aan de wal.
Geve de Heere in deze donkere dagen een honger niet naar brood en een dorst niet naar water, maar om te horen het Woord des levens. Als de trouwe herder dan Zijn staf gebruikt, schikt u onder Zijn leiding. En als het nodig is, dat Hij gebruik maakt van Zijn stok om de zonde te bestraffen, die als een pestilentie in de donkerheid wandelt, wordt dan niet boos, maar bedenk wat de dichter zong in Ps. 138 : 3:
„Hij slaat, ofschoon oneindig hoog, Op hen het oog, die ned'rig knielen, Maar ziet van ver met gramschap aan, De iidele waan der trotse zielen".
Ds A. de Blois
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1952
Daniel | 8 Pagina's