Het Paradijs-evangelie
„En Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen." (Gen. 3 : 15.)
Nog enkele weken en de kerk des Heeren gedenkt, naar de orde van haar vierdagen, dat in de volheid des tijds „het Woord is vlees geworden" en Hij geboren werd. Die op aarde kwam om de werken des duivels te verbreken en Zijn volk te verlossen uit de dood tot het leven. Dat heilsfeit, dat ons verenigt rondom de kribbe van Bethlehem, herdenken wij thans in deze adventsdagen.
In deze weken openen wij het Evangelie, dat ons predikt de eerste belofte van de Middelaar Gods en der mensen. Deze eerste belofte is reeds vol van de liefde Gods, welke aan Zijn volk de Zoon van des Vaders welbehagen schonk tot verlossing en zaligheid Zijner uitverkorenen. Deze belofte werd gehoord in die plaats, waar de mens van zijn God is afgevallen door vrij-en moedwillige ongehoorzaamheid.
I^et toch op het wonder van genade! Want eer de vertoornde God één woord van gericht spreekt tot de gevallen mens, ja, eer Hij hem zijn gerechte straf aankondigt, scheurt Hij met het licht der redding de wolken van donkerheid, die het Paradijs vervullen, en stelt in het vooruitzicht de komst van het Zaad der vrouw, dat de kop der slang verpletteren zal. Die overwinning zegt de Heere dan ook de satan aan. In die slang richt de Heere Zich tegen de satan en zonderondervraging kondigt Hij het gericht aan en in dit gericht ligt opgesloten de verlossing der uitverkorenen.
Deze adventsboodschap predikt ons dadelijk twee dingen, die onze volle aandacht waardig zijn. Hoe duidelijk blijkt hier, dat verlossing van een verloren zondaar een werk Gods is. Dat „IK" staat hier op de voorgrond om bij de aanvang alle roem aan de zijde van het schepsel af te snijden en alle eer aan God te geven. Neen, de gevallen mens kan en wil ook niet de geslagen breuk tussen God en zijn leven hersteilen. De mens kan wél vernielen, maar niet herstéllen. Hij kan wél de dood en de eeuwige verdoemenis over zich halen, maar hij kan niet het verloren leven zich weer deelachtig maken. Doch wat nu bij de mens onmogelijk is, dat is mogelijk in die weg, welke de Vader in de Middelaar ontsloten heeft.
Maar het blijkt ook, dat deze verlossing alleen mogelijk is door VIJANDSCHAP. De mens immers sloot in zijn afval van God, vriendschap met de satan, en
alleen door een daad Gods in de mens verbreekt God, o wonder van souvereine genade, die gesloten vriendschap door vijandschap te stellen. Dat zal al Gods volk ervaren, omdat zij opgenomen zijn in dat eeuwig verbond, waarvan Jezus Christus Hoofd en Middelaar is. Daar zingt de kerk van in aanbidding en verwondering vanwege het vrije Gods:
„Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's Heeren hand alleen geschied. Het is een wonder in onz' ogen, Wij zien het, maar doorgronden 't niet!"
Mijn lezer, heeft het uw aandacht al eens getrokken, dat, waar de satan niet meer verlosbaar is met al de gevallen troongeesten, de mens, hoe rampzalig ook door de zonden, nog wél verlosbaar is. Is dat niet het Evangelie, waarvan ook de engelen gezongen hebben: „In mensen een welbehagen? " Moet dat ook niet van
de daken gepredikt worden? En wat zal het uitmaken voor hen, die leven onder de bediening van dat Evangelie, als zij op zulk een grote zaligheid geen acht geven. Is het niet groot, dat wij nog leven? Is het niet groot, dat God ons naar Zijn rechtvaardig oordeel nog niet weggestormd heeft in de eeuwige rampzaligheid, maar ons nog horen laat, dat onvoorwaardelijk aanbod van genade?
Terecht merkt wijlen Ds. Kersten in zijn dogmatiek aan (tweede deel blz. 74): Het Woord moet echter allen zonder onderscheid gepredikt en aan bekeerden en onbekeerden het evangelie AANGEBODEN. Sommigen staan dit tegen als zou het aanbod van genade te ruim gesteld worden. MAAR CHRISTUS HEEFT HET BEVOLEN.
a. Matth. 20 : 16 en 22 : 14: elen zijn geroepen, maar weinig uitverkoren.
b. Matth. 28 : 19: aat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, loerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
c. Mare. 16 : 15: n Hij zeide tot hen: aat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
, , Maar, " zegt u, , , wat kan ik er aan doen, als ik toch niet behoor bij die verkorenen des Heeren? " Men zegt: „Vraagt er maar om, maar ik hoor, dat al mijn bidden, al wordt het met tranen vermengd, een stank is in Gods neusgaten. Is het dan maar niet beter, om het na te laten en alles maar lijdelijk af te wachten? "
Ik gevoel mij verplicht om u twee gevaarlijke klippen voor te stellen; en wel, le. de klip van WERK-HEILIGHEID, en 2e. de klip van ZORGELOOSHEID.
Zou onze werkheiligheid dat vermogen hebben om onze gesloten vriendschap met de duivel te breken? Zouden wij kunnen voldoen aan de eis van Gods rechtvaardigheid, daar onze beste werken met zonde besmet zijn? Laten wij ons dat toch niet voorstellen. Neen, bedenkt toch, dat wij niet verloren GAAN, maar dat wij uit de kracht van de erfzonde verloren LIGGEN, zelfs van het uur "van onze ontvangenis af. O, de hoop van de eigengerechtigden is als een spinneweb, dat geen vastigheid heeft en geheel wordt weggevaagd. Men hoopt op Gods barmhartigheid en men neemt de toezeggingen, die de Heere aan Zijn volk geeft, met een historisch geloof aan, maar men vergeet, dat God ook rechtvaardig is, en dat men met een GENOMEN belofte (zoals er helaas velen zijn) voor God niet kan bestaan. Leest onze tekst, daar horen wij, wat er gebeurt, als de Heere een goed werk begint. O, onderzoekt u toch nauw, want het gaat op een eeuwigheid aan.
aan. Maar even gevaarlijk is de klip van zorgeloosheid. Men gaat de schuld op God werpen. Men gaat de genade-middelen, waaraan wij gebonden zijn, verachten. Men gaat zorgeloos, als in Noachs dagen voortleven, tot de dood ons als een wandelaar overvalt.
Heeft u wel eens zulk een sterfbed bijgewoond, als de ogen te laat open gaan? Dat woord: „Had ik maar, had ik maar naar den Heere gezocht!", maar te laat, ja, voor eeuwig te laat. Geliefden, daar is een weg, ja de weg der middelen, waarop ik u van 's Heeren wege wijzen moet. Is dat niet het gebed? (Ps. 25 vrs. 2). Niet OM het gebed, o neen, dan zou er waardigheid in zijn, maar OP het gebed, want de Heere wil er van den huize Jacobs om gebéden worden. Vooral nu het Kerstfeest nadert, waarin de Vader zelf een weg ontsloten heeft. Was Jezus niet gekomen, dan had gij een voorwendsel, maar dat is nu weggenomen. En nu gaan wij niet zeggen: „Neemt die Jezus maar zo aan!", o neen, want wat zou u met Hem moeten doen, als u niet leert de diepte van uw geestelijke ellende door de werking des Heiligen Geestes. Leert de tijd nog uitkopen, daar de dagen boos zijn, en de deur der genade nog open staat.
Rijk van troost mogen wij onze tekst noemen voor Gods strijdende kerk op aarde. Hoe wordt de overwinning van Christus over de satan en zijn rijk in dit woord duidelijk bewezen. Al zal de satan de verzenen van HET VROUWENZAAD (Jezus Christus) vermorzelen, Jezus Christus zal satans kop vermorzelen. Die rijke troost staat voor 's Heeren volk vast onder al hun strijd en moeite. Immers, zij strijden tegen een vijand, die door hun gezegende Middelaar is vermorzeld. Dan zal het wel aan hun kant zijn een nauwelijks zalig worden, maar op het Kerstfeest, geleid door de Geest naar de krib van Bethlehem, zullen ze roemen met Jesaja:
„Zie, deze is onze God. Wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1952
Daniel | 8 Pagina's