JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kerkgeschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

6 minuten leestijd

Luther contra de aflaathandel. Over de aflaat schreven we voorheen reeds een en ander.

Sedert Bonifatius IX (1393) was de z.g. Jubileumsaflaat met het sacrament de boete (biecht) verbonden: de gelovige ontving nu door de absolutie in de biecht kwijtschelding van de schuld; door de aflaat kwijtschelding van de straffen in het vagevuur.

Sedert Sixtus IV (1477) kwam hier nog bij een zeer winstgevende aflaat voor de doden.

De bekende Scholastiek had in de loop des tijds deze aflaatsleer op een dogmatische grondslag geplaatst en tevens de leer binnengedragen, dat er een schat van overtollige goede werken was, waar uit de paus, als het hem goeddacht, kon putten en tegelijk zijn beurs verstevigen.

Tot ergenis van velen kwamen de jubilea wat kort op elkaar!

Zo schreef Julius II 1506 een Jubileumaflaat uit tot de bouw van de Pieterskerk in Rome en de bekende Leo X vernieuwde deze aflaat in 1514.

Vooral in Duitsland was de tegenkanting groot. Men sprak daar van „uitzuigerij" door de Curie (= het paus-hof), dus door Italianen.

Men ziet wel, ook het nationalisme begon een woordje mee te spreken.

Voeg hierbij het lichtzinnig gedrag der aflaat predikers, waardoor alle gosdienstige ernst verloren ging. Vooral heeft in dezen een treurige rol gespeeld de aartsbisschop van Mainz, Albrecht van Hohenzollern. Hij genoot niet alleen de inkomsten van zijn eigen kerkgebied, maar palmde ook die van de bisdommen Magdeburg en Halberstadt in.

Dat wil de paus niet toestaan. Maar hij mocht ze houden, als hij deze een som van 10.000 dukaten gaf. Dit was natuurlijk simonie; gesjacher met kerkelijke ambten.

Albrecht sloeg aan het lenen bij het welbekende schatrijke bankiershuis Fugger te Augsburg, dat hem de benodigde contanten verschafte.

Met de terugbetaling vlotte het echter niet al te best. Daarom stelde de paus hem voor behulpzaam te zijn bij de aflaathandel è. raison van de helft van de opbrengst! Aldus geschiedde.

brengst! Aldus geschiedde. De man, die voor het goddeloos bedrijf uitermate geschikt was, was de Dominicaner Johann Tetzel. Natuurlijk kreeg hij van de aartsbisschop een aanbevelend schrijven mee, waaruit men lezen kon, dat de aflaten niet alleen de vagevuurstraffen, maar ook de schuld wegnamen. Over berouw en boete werd niet meer gesproken.

Biecht bij de eigen priesters was niet meer nodig, dat kon wel bij de vergezellende priesters van de aflaat - kramer geschieden.

Ook voor de overleden bloedverwanten en vrienden waren aflaten te koop. Was men van plan een zonde te doen, ook dat kon met behulp van een aflaat geschieden.

Het verhaal gaat dat Tetzel daardoor eens ondanks zijn dreigen met de vloek der kerk, een flink pak slaag opliep! Men kon de aflaten ook in het stervensuur inleveren; m.a.w. zijn ganse leven in de zonde doorbrengen; 't kwam alles door zo'n aflaat nog in orde.

Frederik de Wijze, de bekende keurvorst van Saksen had de moed Tetzel met zijn kramerij ziin gebied te ontzeggen.

Toen vestigde deze zich in de nabijheid van de grens, in Jüterbog, en predikte hier onder grote toeloop en met veel succs de aflaat.

Ook Luther leerde de verwoestende gevolgen van dit goddeloos bedrijf kennen. Men eiste eenvoudig op vertoon van een aflaat kwijtschelding.

Dat ging te ver. Daarentegen, d.w.z. het misbruik der aflaten moest opgetreden worden.

Hij predikte er tegen, trachtte medestanders in deze strijd te krijgen, maar dat lukte niet.

Toen besloot hij er een academisch dispuut van te maken en vervaardigde de bekende 95 thesen of stellingen.

Het opschrift luidde: Uit liefde om de waarheid aan het licht te brengen, zal het hier volgende in een twistgesprek worden verdedigd te Wittenberg onder leiding van de eerw. Vader Martinus Luther, Magister dei-Vrije Kunsten en der Heilige Theologie en gewoon lector derzelve. Daarom verzoekt hij, dat degenen, die niet tegenwoordig kunnen zijn om mondeling daarover met ons te spreken, dit in afwezigheid per brief mogen doen. In de naam van onze Heere Jezus Christus. Amen. Op 31 October 1517 spijkerde hij deze stellingen op de deur van de slotkapel te Wittenberg.

De volgende dag zou het Allerheiligen zijn; hij mocht dus verwachten, dat wel een of ander geleerde zou komen opdagen om met hem te disputeren. Maar niemand verscheen.

Het had echter een heel ander, niet verwacht gevolg: de drukkerijen maakten er zich meester van en heel Duitsland werd er mee overstroomd.

Met stormachtige bijval werden zij ontvangen. „De stellingen werden geen zaak van de geleerden, maar van heel het duitse volk." (Berkhof.)

Dat er ook tegenstand kwam, laat zich begrijpen. Vooral Tetzel was boos, want zijn zaak begon te verlopen; en de aartsbisschop niet minder.

Tetzel kwam ook met een reeks stellingen voor de dag; n.b. geen eigen werk, een ander had ze opgesteld! Heftiger was Luthers tegenstander Joh. Eek, professor te Ingoldstadt, die de hervormer op één lijn stelde met Huss; in welke uitdrukking natuurlijk opgesloten lag, dat. hij hetzelfde lot verdiende.

De paus beschouwde de hele zaak aanvankelijk als een monnikenruzie, maar veranderde al spoedig van houding.

— Men bedenke bij het lezen der stellingen toch wel — we herhalen dit nog eens, — dat het bij Luther ging om het misbruik van de aflaatverkoop, niet om de aflaten zelf. Hij meende, dat de paus dit goddeloos gedoe niet kon goed keuren of goedkeurde. Vandaar zijn aanval op de aflaatppredikers.

Wij geven nu als voorbeeld een paar willekeurig gekozen stellingen.

St. 5. De paus wil noch kan enige andere straf kwijtschelden dan die, welke hij krachtens besluit, hetzij van hem zelf, hetzij van de kerkelijke wetten heeft opgelegd.

Dat wilde dus zeggen: de paus kan de schuld niet vergeven, tenzij dat God de schuld vergeven heeft en dit door de paus verklaard wordt.

Voorts heeft de paus alleen macht over de kerkelijke straffen, maar niet over de vagevuurstraffen. En het was juist de vergeving der zonden en de verlossing van de vagevuurstraffen, die het verdwaasde volk zocht en die de kramers naar voren brachten om maar veel geld in 't laatje te krijgen.

St. 27. De mens prediken zij, die zeggen: „zodra het geld in de kist klinkt, vaart de ziel uit het vagevuur." Rome beweert wel, dat Luther hier overdrijft en Tetzel dat nooit gezegd heeft, maar de nieuwste onderzoekingen hebben aangetoond, dat het volkomen juist is.

Toen het volk de ware aard der aflaten merkte en het misbruik, moest die handel wel verlopen.

Maar Luther zou ook wat leren: dat de paus wel de-

gelijk accoord ging met het bedrijf. Zo moest hij voortgaan van stap tot stap.

De volgende zou zijn: de aantasting van het primaat van de paus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's

Kerkgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's