JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

JOHN G. PATON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JOHN G. PATON

5 minuten leestijd

Zondagsheiliging op Aniwa.

Goed en wel was de nieuwe kerk verrezen, tot grote vreugde van Paton en de zijnen, maar ook van de inboorlingen, die ijverig-hadden meegewerkt, of... een geweldige storm maakte het gebouw met de grond gelijk. De vreugde, van zo'n korte duur, maakte plaats voor groot gejammer. Maar zie, een voornaam opperhoofd stond op, beval dat de mensen het jammeren moesten laten, en sprak vervolgens:

„Laten wij ons niet aanstellen als kleine jongens, die huilen om hun gebroken bogen en pijlen. Laten we ons gedragen als mannen, en een steviger kerk bouw r en voor Jehovah!"

Deze w r oorden hielpen. Na eerst de huizen en de omheiningen, benevens de plantages, in orde gebracht te hebben, kwam de menigte op een afgesproken tijdstip bijeen, om opnieuw de handen aan het werk te slaan. Maar voordat een spade in de grond werd gestoken, zong de vergadering een lied, waarna de zendeling de zegen des Heeren afsmeekte.

Het bouwen ging voorspoedig. Toen het gebouw onder de kap was, werd een luidklok op gehangen. Deze klok had een vriend van Paton uit Birkenhead overgestuurd. Welk een blijdschap! En welk een grote 0111-• mekeer! Het eiland Aniwa, het oord weleer van menseneters, hoorde nu het luiden van de kerkklok, tot oproep om de Naam des Keeren groot te maken. Wie had dat kunnen denken ?

Maar er was nog meer. Op Zondag van de 24ste October 1869 werden in de nieuwe kerk voor het eerst de beide sacramenten bediend. Twaalf inboorlingen, waaronder het oude opperhoofd Namakei hadden duidelijk blijk gegeven, dat ze met hun ganse hart de Heere wensten toe te behoren. Ernstig begeerden ze om gedoopt te worden.

Het werd een plechtige ure. Paton hield een korte toespraak, waarna het twaalftal opstond van de zitplaats.

„Wenst gij, " zo vroeg de zendeling, „overeenkomstig de belijdenis van het Christelijk geloof, en uw beloften voor God en het volk, dat ik u thans dope? Wilt gij voortaan alleen voor Jezus leven, alle zonde haten, en trachten uw Heiland te dienen en lief te hebben? "

Duidelijk klonk het jawoord van het twaalftal. Nu trad Namakei naar het doopvont en werd het oude opperhoofd het sacrament van de Heilige Doop toebediend; vervolgens de andere elf en tenslotte nog kinderen van twee mannen, die zo juist waren gedoopt. Paton droeg ze allen in een hartelijk gebed de Heere op en zodoende was de eerste gemeente van Christus op Aniwa gesticht.

Op een lange tafel stond een nieuw zilveren Avondmaalstel. Zo lange tijd had Paton het ingepakt moeten laten. Het fraaie stel was een geschenk van de Zondagsschoolonderwijzers van Zuid-Melbourne. „U zult het nog wel eens nodig hebben, " hadden de vrienden geschreven. En nu was die tijd aangebroken.

Zeer verwonderd, in ademloze stilte, zagen de inboorlingen het vreemde gebeuren aan: Paton en zijn vrouw, zes onderwijzers van Aneitium en de twaalf gedoopten zaten aan om de dood des Heeren te verkondigen.

Paton schrijft hierover in zijn dagboek:

„Nu was die dag gekomen, die heerlijke dag, waarvoor wij drie jaren lang gewerkt, gebeden en onderwezen hadden! Op het ogenblik dat ik het brood en de wijn in die donkere handen gaf, eens met mensenbloed bevlekt, maar nu uitgestrekt om de tekenen en zegelen van de liefde des Zaligmakers te ontvangen, had ik een voorsmaak van de Hemelvreugde. En nooit zal ik gróter zaligheid genieten, tot — ik het verheerlijkt gelaat van mijn Heiland zelf aanschouwen zal."

Vanaf dit plechtige samenzijn werd al meer en meer de Zondag voor de inboorlingen een feestdag. Kort na zonsopgang werd de kerkklok geluid en uit alle hoeken van het eiland kwamen de bewoners dan om de godsdienstoefening bij te wonen. In de namiddag hield Paton catechisatie voor aannemelingen, terwijl dan verscheidene leden in de school onder elkander een bidstond hielden om de zegen des Heeren af te smeken over al de ai-beid die op de Zondag in Gods Koninkrijk verricht werd. Deze bidstonden waren die leden uit eigen beweging begonnen.

Paton schrijft:

Vóór we ons ter ruste begeven, verzamelen wij al de jongelieden, en zoveel van onze dorpelingen als zich bij hen willen voegen, in het Zendingshuis. Zij zitten dan in rijen op de vloer van de eetkamer, zingen liederen, lezen verzen uit de Bijbel, en doen en beantwoorden vragen betreffende het onderwijs van de dag. Tegen negen uur zenden wij ze heen, maar gewoonlijk verzoeken zij ons vriendelijk te mogen blijven om onze huiselijke godsdienstoefening in het Engels bij te wonen.

„Missi, " zeggen ze dan, „wij horen het zingen zo graag. We verstaan er een beetje van. En we zijn zo gaarne da& r, waar gebeden wordt!"

Zo gaat daar de éne Zondag na de andere in de dienst van God en in gemeenschap met elkander vreedzaam en genoeglijk vooi'bij. Toen ik later weer eens in de zogenaamde beschaafde wereld terugkwam, en zag hoe da& r de dag des Heeren door de blanke Christenen misbruikt en ontheiligd werd, o, hoe verlangde tóen mijn ziel naar de liefelijke, heilige rustdagen op Aniwa!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's

JOHN G. PATON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's