Dr . H. F. Kohlbrügge
(2.)
Het sterven van zijn vader gaf grote keer in Kohlbrügge's leven. Hij had hem vóór het sterven moeten beloven, dat hij door zou gaan met de studie theologie en promoveren.
Om zijn moeder te steunen gaf hij nu bij-lessen; ging ook door met de studie.
Door deze lessen kwam hij ook in aanraking met de leringen v^tn Jacob Böhme, die een vals mysticisme inhouden.
In 1826 deed hij zijn proponentsexamen en werd hulpprediker bij de Hersteld Lutherse Gemeente.
Kohlbrügge bleek alras een geliefd prediker. Vogels van diverse pluimage, zoals men wel eens zegt, zaten onder zijn gehoor: Luthersen, Réveilmensen (Da Costa c.s.) enz.
Zijn eerste preek hield hij op Woensdagavond 7 Nov., tekst Rom. 13 : 12, de 2e preek weer in Amsterdam over 1 Joh. 5 : 10. Er liepen nog wel een paar lutherse draden door. Zo sprak hij van de goddelijke kracht van het ambt.
Het scheen dus van een leien dakje te gaan. Maar op Zondag 13 Mei is hij onder 't gehoor van de lutherse ds Uckerman, die preekt over Joh. 16 : 5—16. Kohlbrügge constateerde afwijkingen van de zuivere leer. Hij sprak er over met een collega van ds Uckerman en besloot, na gebed een bezwaarschrift in te dienen bij de Kerkeraad.
Natuurlijk moest hij daarin zijn beschuldigingen formuleren en deze waren de volgende: gemist werd de rechtvaardiging des zondaars door 't geloof, de leer van de voldoening door Christus, de leer van de onwederstandelijke werking des Heiligen Geestes.
Ds Uckerman stelde, volgens Kohlbiöigge, de bekering voor op pelagiaanse en remonstrantse wijze, niet naar het Woord van God en de belijdenis der Kerk.
Ds Uckerman was hevig boos; dat laat zich begrijpen.
Tegenover deputaten van de kerkeraad, die een samenspreking met hem moesten houden, betuigde hij, dat hij steeds de zuivere leer naar den Woorde Gods was toegedaan.
Eerstvolgende Zondag begon het echter.
> Ds Uckenburg had de morgenbeurt en in de predikatie beklaagde hij zich, dat hij ten onrechte van onrechtzinnigheid beschuldigd werd en waarschuwde de gemeente voor predikers, die de mens tot wanhoop en zelfmoord brengen, naar wie men niet moet horen. Kohlbrügge preekte 's middags en maakte over 't gehoorde enige aanmerkingen.
De kerkeraad eiste nu van Kohlbrügge intrekking van zijn bezwaarschrift en herroeping van de inhoud. Maar dat wilde hij niet.
Gevolg: Juli 1827 werd hij proponent-af verklaard. Waar nu heen? Zich afscheiden wilde hij niet, ofschoon hij 't grootste deel der gemeente op zijn hand had. Hij vertrok naar Utrecht en ging werken aan zijn proefschrift voor theologisch Dr.
Een moeilijke tijd brak aan, ook voor zijn moeder. Hij kreeg verwijten te horen van zijn familie; velen lieten hem in de steek; sommigen raadden hem aan, maar toe te geven, ongelijk te bekennen; anderen drongen er op aan een eigen gemeente te vormen.
Hij weigerde beslist.
Kohlbrügge ging naar Utrecht zonder geld en zonder vrienden.
Menigmaal zat hij in geldverlegenheid. Maar vele zijn in deze tijd de uitreddingen geweest.
Eén van deze schrijf ik over uit Dr. v. d. Does: De Afscheiding, pag. 45: „Mijn geld raakte op en ik vond nimmer vrijmoedigheid hiervan het geringste blijk te geven. Ik had in lang geen middagkost geproefd; ook mijn brood raakte op.
In die toestand riep ik uit: „O, God, Gij weet, dat ik om Uw waarheid lijd; wilt Gij mij door honger laten sterven, zo geschiedde Uw wil; maar wilt Gij mij tot Uw eer nog laten leven, Uwer is beide al het zilver en goud der wereld." Toen las ik tot mijn bijzondere vertroosting het 12e hoofdstuk van Lukas de Evangelist en nog diezelfde dag ontving ik van een tot nog toe onbekende hand ƒ 25.— aan bankpapier."
Op 4 Juni 1829 promoveerde hij cum laude op een proefschrift over Psalm 45 tot doctor in de theologie. Het was een knap stuk werk, waaruit ook zijn grote kennis van de oosterse talen bleek. Sommige jongelui beweerden dan ook, dat hij dubbel en dwars het „summa" had verdiend.
Op de dag van zijn promotie kon hij zich verloven met een jonge vrouw, die hem later in het huwelijk tot grote steun en troost is geweest, die meer dan enig
ander hem begreep. Helaas heeft hij zich niet lang in haar bezit mogen verheugen.
Tijdens en door zijn studie zocht hij aansluiting bij de Ned. Herv. Kerk en vervoegde zich deswege bij ds Kortenhoef Smith te Amsterdam, teneinde, „na afgelegde belijdenis als lidmaat te worden aangenomen."
Ds Smith stelde hem de vraag, waarom hij nu eigenlijk lidmaat der Ned. Herv. Kerk wilde worden en Kohlbrügge vertelde al het gebeurde heel eerlijk, ook zijn standpunt.
Ds Smith had nog al bezwaren en uit alles bleek, dat hij er onder uit wilde. Waarom kon de Lutherse kerkeraad geen attest geven van goed gedrag? Dat was nu toch een al erg onnozele vraag en na al het gebeurde niet te verwachten.
Ds Smith raadde hem aan, zich bij de kerkeraad van Utrecht te vervoegen via ds van Beuningen, Deze was nog al een hulpvaardig man.
Kohlbrügge had de laatste jaren in Utrecht gewoond; men had zijn doen en laten daar nauwkeurig kunnen nagaan; het zou dus niet moeilijk zijn, een goed attest te krijgen en zo toelating tot de Ned. Herv. Kerk.
Ds van Beuningen was inderdaad behulpzaam wilde hem „aannemen" zelfs zonder attest. en
Maar niet alzo de kerkeraad. Deze eiste: overlegging
van een attest van goed zedelijk gedrag van de laatste, dat is dus lutherse, gemeente!
Natuurlijk kreeg hij dat niet; wel een bewijs van lidmaatschap. Maar hiermee nam de utrechtse kerkeraad geen genoegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1952
Daniel | 12 Pagina's