VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
C. B. te K. schrijft: Bij de besprekingen over Richteren 6 vroeg een onzer leden een opheldering over de verzen 12 en 13.
De engel zegt tegen Gideon: „De Heere is met u, gij strijdbare held" en nu zegt Gideon: „Waarom is ons dat alles wedervaren, enz."
Was het goed van Gideon om deze vraag te stellen.
Antwoord: Gideon wist nog niet, , dat het de Heere Zelf was, Die met hem sprak, daarom zei hij niet: „Heere!" maar ach mijn Heer!"
Hij voegde zich bij de duizenden van Israël, die in de grootste ellende verkeerden en weigerden getroost te worden. Met andere woorden de mededeling: De Heere zij met u, gij strijdbare held, vermocht hem niet op te heffen uit zijn moedeloze toestand, zolang geheel Israël nog zuchtte onder de druk des vijands.
Henry zegt: „Mensen, die niet slechts voor zichzelf, maar ook voor anderen leven (zo was het met Gideon) rekenen alleenlijk tot hun eer en vreugde datgene, hetwelk hen in staat stelt, om de gemene belangen van Gods kerk te behartigen."
J. S. V. te V. vraagt opheldering over 2 Pers. 3 : 10 oude en nieuwe vertaling.
Antwoord: In de oude vertaling staat: „En de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden. In de nieuwe vertaling lezen we: „Maar de aarde en de werken daarop zullen overblijven." Dat is nogal een verschil. Wat is nu waar?
We zouden taalgeleerde moeten zijn, om het juist te kunnen beoordelen, maar omdat we toch van verschillende zijde een oordeel hebben gehoord over de nieuwe vertaling, die lang niet in alles voldoet, waag ik het ook mijn mening neer te schrijven.
De nieuwe vertaling bevalt mij niet. Ik houd mij bij de oude.
Wat is nu de opvatting van onze Statenvertalers? Daar lezen w r e dit: „Hoe dit voorbijgaan of vergaan van hemel en aarde geschieden zal, zijn er verschillende meningen zo van oude als nieuwe leraars. Sommigen menen, dat de substantie of het wezen zelf der wereld ten enenmale zal veïgaan en vernietigd worden; anderen, dat alleen de hoedanigheden derzelve zullen vergaan en veranderd worden en de substantie of wezen blijven. Welke mening wel de algemene en waarschijnlijkste is."
Deze verklaring sluit ook aan bij hetgeen we lezen in Ps. 102: „Gij zult ze veranderen als een gewaad en zij zullen veranderd zijn." Als in Openb. 21 gezegd wordt: „En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde", dan staat er in de grondtekst niet: een andere hemel en aarde, maar een vernieuwde hemel en een vernieuwde aarde.
Als er dus staat in de oude vertaling „verbranden, " dan wil dat nog niet zeggen „vernietigen", maar „uitbranden 1 ", „schoonbranden." Maar dan zullen de werken, die daarop staan (volgens de nieuwe vertaling) toch wel niet overblijven.
Het gaat niet over alles wat op de aarde door mensenhand is daargesteld, maar over de aarde, zoals die uit de hand van de Schepper is voortgekomen. Die zal blijven, maar dan vernieuwd.
C. v. d. L. te H.I.A. vraagt namens de J.V. wat gelijkenissen zijn, of ze een geestelijke strekking hebben en of ze te vergeestelijken zijn.
Antwoord: Het onderwijs, dat de Heere Jezus gaf, kleedde hij dikwijls in de vorm van een gelijkenis.
De Oosterling drukt zich niet uit in afgetrokken denkbeelden, maar geeft vorm aan zijn gedachten in een pakkend beeld. Dit deed bv. ook Nathan de profeet, toen hij bij David kwam en hem tot erkentenis van schuld wilde brengen in de zaak van Uria en Bathséba. Het karakter van een gelijkenis is: een waarheid van het geestelijk leven wordt gehuld in het gewaad van een pakkend verhaal of beeld ontleend aan het dagelijks leven.
Vele gelijkenissen hebben betrekking op het Koninkrijk der hemelen.
Het doel van de gelijkenis is tweeledig nl. onthullen en verbergen of openbaren en bedekken. De Heere Jezus heeft zelf geantwoord op de vraag van Zijn jongeren, waarom hij door gelijkenissen sprak: „Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar die is het niet gegeven." Voor de eersten waren de gelijkenissen dus tot voordeel, maar voor de anderen tot een oordeel.
De uitlegging van de gelijkenis wordt bepaald door haar inhoud. Soms treedt slechts één gedachte op de voorgrond, een andere maal nadert een gelijkenis tot allegorie, zodat ieder onderdeel verklaring vereist. Die methode is echter niet toe te passen op elke gelijkenis. Men wachte zich echter om een gelijkenis te vergeestelijken, wat altijd te veroordelen is, maar men trekke er de geestelijke lering uit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1952
Daniel | 12 Pagina's