JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

lIl. De Deugden Gods (k.)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

lIl. De Deugden Gods (k.)

4 minuten leestijd

Gods Wil

Tot de mededeelbare eigenschappen Gods behoort in de tweede plaats Zijn w i 1.

De wil is het vermogen, om het ene te kiezen en het andere te verwerpen; het ene lief te hebben en het andere te haten; in het ene genoegen en in het andere ongenoegen te hebben.

De mens, naar Gods beeld geschapen is een willend wezen, die met zijn geest en zijn lichaam, tot op zekere hoogte, doet wat hij wil. We kunnen gaan wandelen of rustig thuis blijven, om een boek te lezen; we kunnen spreken of zwijgen; eten of vasten; iemand iets toestemmen of weigeren. Dat alles wordt bepaald en uitgemaakt door onze wil.

Toch is die eigenschap van de wil in de mens zeer beperkt. Immers, in het lichaam en in de geest van de mens werken onderscheiden organen en er leven krachten en er heersen functies, die niet onder cle wil des mensen staan, doch buiten zijn wil om geschieden. We zullen dit met enige voorbeelden duidelijk maken.

De hartslag van de mens gaat buiten zijn wil om; ook de ademhaling; ook de spijsvertering. Wel heeft de wil er enig verband mede en kan een remmende invloed uitoefenen. We kunnen bijv. wel even sneller of langzamer ademen; maar de functionnering als zodanig staat buiten de bevoegdheid van de wil. Als we slapen gaat de polsslag, de bloedsomloop toch door; de ademhaling gaat ook rustig haar gang; en de spijsverteringzet eveneens haar werk voort.

Met de geestelijke zaken, d.w.z. met de functionnering van onze verstandelijke vermogens is het al precies eender. In vele gevallen mogen we richting en stuur aan onze gedachten kunnen geven, — op andere tijden blijkt toch duidelijk, dat we niet ten volle meester over onze geest zijn. Terwijl we slapen, kunnen we er niets aan doen, of we dromen of niet. En ook in wakende toestand kan de invloed en overredingskracht van een ander zó sterk op ons werken, dat we doen, wat die ander wil, in plaats van wat we zelf willen

Zo blijkt dus duidelijk, dat de mens geen onbeperkte zeggenschap over zijn wil heeft En daar komt dan nog bij, dat door de zonde de wil des mensen van goed in kwaad is omgeslagen Hij heeft dus zijn wil niet verloren, naar de wil is verbogen en in het tegendeel omgezet; zodat hij nu van nature wil, wat de Heere haat; wat God de Heere van hem eist. En het grote verlangen van het oprechte volk des Heeren is dan ook, om eens van.alle zonden verlost te wezen; wat vooral blijken zal uit een vernieuwde en geheiligde wil, die weer in overeenstemming is met Gods wil en er een einde komt aan de strijdige machten in zijn binnenste, waarover Paulus ook mee kon spreken, als hij zegt: „Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Wat ik wil, doe ik niet; en wat ik niet wil dat doe ik." Rom. 7.

Maar in de Heere God is Zijn wil op het allervolmaakst. Gods wil is de willende God zelf. Zijn wil wordt door niets buiten Hem aan banden gelegd. Zonder Zijn wil geschiedt er niets, noch in de hemel, noch op de aarde. Gocl heeft een wil, omdat Hij is een persoonlijk, zelfstandig Wezen. Hij werkt niet als een blinde natuurkracht, maar met geheel vrije zelfbepaling, waarvan de redenen alleen in Hem liggen, en die Hij Zich allerduidelijkst bewust is.

Wanneer we nu over de wil Gods spreken, doet er zich een moeilijkheid voor, waarmede wij mensen vaak veel te tobben hebben. De vraag houdt menigeen, zelfs ook onder Gods kinderen, bezig: , , Als God een vrije wil heeft, zodat Htj alles kan, het dan toeh bestaan, dat er zoveel dingen gebeuren, die God niet wil: en dat er zovele dingen niet gebeuren, die Hij wel wil? "

Men kan deze vraag uitbreiden en toepassen op schier elk gebied van het werldgebeuren. Als God de zonde haat, waarom, heeft de zonde dan zulk een macht? Als God het geluk van Zijn schepsel wil, waarom is er dan zoveel smart en leed ellende?

En nu kan men op al deze vragen wel het gemakkelijke, hoewel zeer juiste antwoort geven: , , Niet de Heere, maar de zonde heeft al die verkeerde dingen in de welreld gebracht.''Maar ook met dit antwoord is de vrager in de regel niet tevreden. En hij antwoordt alspoedig met een wedervraag: , , Hoe kon de Heere dan toch, waar Hij de zonde haat en verafschuwt, haar in Zin schepping toelaten? Met een wenk van Zijn heilige wil had Hij de zonde kunnen verhinderen haar intred in de wereld te doen: en dan ware toch al die ellende en jammer er niet geweest? !"

De beschouwing van deze vragen zullen we bij welzijn in ons volgend artikel aandachig nagaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's

lIl. De Deugden Gods (k.)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1952

Daniel | 8 Pagina's