JOHN G. PATON
ZENDINGSVELD (9? )
Een vroegere menseneter preekt
De Zondag, na het opborrelen van het water in de put, was een zeer bizondere. Hoe dat kwam? Wel, het oude opperhoofd Namakei had aan de zendeling het voorstel gedaan om op die dag te preken over de Wel. Paton kon dit voorstel moeilijk afslaan: wie weet wat de uitwerking mocht zijn!
Van mond tot mond was het nieuws gegaan: „Namaker is volgende Zondag Missi!" Dat zou iets wonderlijks worden. Daar moesten de inboorlingen bij zijn.
Het was dan ook een grote menigte die saamgekomen was bij het zendingshuis op het aangekondigde uur. Paton ging vóór in gebed, zoals gewoonlijk. Maar na het bidden sprak hij: „Nu zal Namakei vanmorgen het woord tot u richten."
Het opperhoofd stond al gereed, gekleed in hemd en schort, en in zijn hancl de onafscheidelijke strijdbijl. Er was schittering in zijn ogen en zijn leden trilden van ontroering toen hij ging spreken:
„Vrienden van Namakei, mannen, vrouwen en kinderen, luistert naar mijn woorden! Sedert Missi hier kwam, heeft hij ons veel vreemde dingen verteld, die wij niet konden begrijpen; dingen die ons al te wonderlijk toeschenen, en die wij daarom voor het grootste doel voor leugens hielden. De blanken mochten zulke onzin geloven, maar wij zeiden dat een zwarte te verstandig was om zoiets aan te nemen. Maar van al zijn wonderlijke verhalen kwam het krijgen van regen onder uit de grond ons het wonderlijkst voor. Toen zeiden we tot elkander: „De man zijn hoofd is op hol; hij is gek geworden."
Maar de Missi bad en werkte maar voort, en zei ons, dat Jehovah hoorde en zag, en dat zijn God hem regen zou geven. Was hij gek? Hééft hij geen regen gekregen diep onder uit de grond? We lachten hem uit, maar het water was er toch. We hebben ook om andere dingen gelachen, die de Missi ons vertelde, omdat we ze niet zien konden. Maar van deze dag af geloof ik, dat alles, wat hij ons van Jehovah vertelt, waar is. Er zal een dag komen dat onze ogen het zien zullen.
Mijn volk, volk van Aniwa, de wereld is helemaal omgekeerd sinds het woord van Jehovah op dit eiland kwam. Wie had ooit gedacht dat hij regen uit de aarde zou zien komen. De regen kwam anders toch altijd uit de wolken. Wonderlijk is het werk van deze God. Geen god van Aniwa heeft de gebeden ooit verhoord zoals de God van Missi dat heeft gedaan.
Vrienden van Namakei, al de machten der wereld hadden ons niet kunnen doen geloven, dat er regen uit de diepte der aarde kon voortgebracht worden, zo wij het niet met onze eigen ogen gezien, het niet gevoeld en geproefd hadden.
Nu, met de hulp van Jehovah, heeft Missi die onzichtbare regen, waarvan wij tot dusver nooit hadden gehoord, te voorschijn gebracht, en iets hier in mijn hart zegt mij, dat Jehovah God bestaat, Hij, de Onzichtbare, van Wie wij nooit gehoord en Wie wij nooit gezien hadden, totdat de Missi ons met Hem bekend maakte.
Het koraal is weggenomen, de grond is uitgegraven en ziet! het water komt naar boven! Al die tijd was het onzichtbaar en toch was het daar; onze ogen waren te zwak om het te zien. Zo geloof ik, uw opperhoofd, ook zeker, dat, als ik sterf, wanneer koraalblokken en aar-dhopen, die nu mijn oude ogen verblinden, voor mij uit de weg geruimd zullen zijn, ik met mijn ziel de onzichtbare God zal zien, zoals Missi zegt, even zeker als ik de regen uit de grond heb gezien.
Van deze dag af, o mijn volk, wil ik de God dienen, Die ons de wel heeft gegeven. De goden van Aniwa. kunnen niet horen noch ons helpen zoals de God van Missi. Van nu aan ben ik een volgeling van Jehovah.
Laat ieder die denkt als ik, nu de afgoden van Aniwa, die onze vaders vereerden, gaan halen en ze aan Missi's voeten werpen. Laat ons die houten en stenen dingen verbranden en begraven en vernielen. Laten we ons door Missi laten leren hoe wij de God dienen moeten, Die horen kan; Die ons de wel gaf en Die ons alle andere zegeningen schenken wil. Die God zond Zijn Zoon Jezus om voor ons te sterven en ons in de hemel te brengen. Dat is het wat de Missi ons iedere dag verteld heeft, sinds hij op Aniwa landde. Wij lachten hem uit, maar nu geloven wij hem. Jehovah heeft ons de regen uit de aarde gezonden. Waarom zou Hij ons ook niet Zijn Zoon uit de hemel zenden? Namakei staat op voor Jehovah!"
De uitwerking van deze toespraak was geweldig. Als in Elia's tijd op de hoogte van Karmel, werd nu het geroep gehoord: „Jehovah is God! Jehovah is God!"
Van alle kanten kwamen de inboorlingen met houten en stenen afgoden, die op de grond bij de zendelingwerden neergesmeten. De mensen waren erg opgewonden. Sommigen schreiden, anderen schreeuwden herhaaldelijk „Jehovah! Jehovah!"
Welk een dag voor Paton! Met blijdschap en ontroering wierp hij de houten goden in de vlammen; voor de stenen beelden werden kuilen gegraven, terwijl andere voorwerpen, die zo zeer het bijgeloof konden aanwakkeren, geworpen werden in de zee.
In Patons dagboek staat te lezen:
„En ik cleed intussen wat eens, op Mozes' bevel, het volk van Israël deed, toen het aan de Rode zee geko- men was; ik, , stond stil, en zag het Heil des Heeren.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1952
Daniel | 8 Pagina's