De liefdeshandelingen des Heeren met Zijn volk.
Daarom zie, Ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken. (Hos. 2 : 13.)
Hosea's tijd was een droevige tijd. Hij heeft geprofeteerd in de periode, toen het volk van Israël voor het uitwendige een bloeitijd meemaakte onder de regeringvan Jerobeam II.
De weelde kende geen grenzen. Maar met al de voorspoed ging het volk er zedelijk onder, omdat het volk van Israël de Heere verliet, en geestelijk in een erge mate van verval was. De kalverendienst werd in ere gehouden en voerde het volk tot de dienst van Baal. Tegen deze afgodische dienst heeft de profeet Kosea getuigd en de ondergang aangezegd, die dan ook naderde met rasse schreden. Bij het naderen der oordelen Gods bleef het volk zich echter aan de gruwelijkste zonden overgeven. Tot zulk een afgodisch volk had de profeet te spreken, en aan getrouwe waarschuwingen ontbrak het dan ook niet.
Dewijl de Heere geen gemeenschap kan hebben met de ongerechtigheid, zal Hij ze om hun zonden scherpelijk bezoeken. En naar vers 5 zal dan de Heere pijnlijke middelen gebruiken, om een afhoererend volk weer op de rechte weg' te brengen. Dan spaart Hij geen vlees en bloed, maar door smartelijke wegen en middelen weet de Heere Zijn volk klein te maken. En helpt dat niet; dc Heere heeft nog meer pijlen op Zijn boog. Wil men niet buigen onder een houten juk, dan zal hun een ijzeren juk opgelegd worden. Dan zal Hij naar vers 3 wegnemen allerlei nooddruft, als koren, most en olie; wegnemen zal Hij zelfs wat Hij eenmaal ter Zijner eer heeft ingesteld, de feesten, nieuwe maanden en sabatten en gezette hoogtijden. En komt er dan nog geen inkeer, en geen terugkeren, helpen dan slagen niet, zodat Israël door alles heen breekt, de Heere vergeet en verlaat, en niet komt tot ootmoed en berouw: Wat zal de Heere dan doen? Dan heeft de Heere nog een middel, en dit wordt aangegeven in vers 13. Daarom zie, Ik zal ze lokken enz. En dat zal de hardnekkigheid breken. Tegen de liefde Gods is er niet één die het volhoudt. Met de weldaden en slagen kunnen wij nog van de Heere afwijken, maar de liefde vernedert.
Zo handelt de Heere met Zijn volk. „Daarom" zegt de Heere, er is geen daarom of het heeft een waarom. En dit is uit loutere souvereine genade, vrijmachtige genade. Wat niet is uit verdienste, noch uit de werken is voortvloeiende. Daar zegt de dichter van: „het is door U alleen om het eeuwig welbehagen." De Heere trekt ze uit de duisternis, brengt ze en zet ze over in het licht. Hij verheerlijkt Zijne Genade aan een schuldig volk; Hij lokt ze, opdat zij openbaar mogen worden wat Zijn vrijmachtige genade gewrocht en gewerkt heeft. Hij haalt ze uit opdat zij met Petrus mogen zeggen „Gij zijt de Christus"; want dan kunnen zij niet zwijgen. Zolang hebben zij gelopen met een zwijgende mond, waar de schuld drukte en het recht op hun harte gebonden was, met de dood voor ogen. Maar de Heere verkwikte hen, maakte hen eenswillens met de weg, waar zij kregen te zien hoe nuttig het was geweest geslagen en getuchtigd te worden, dat het alles liefde was, omdat de Heere geen zonde in Zijn volk gedoogt, en een nauwkeurig oog op hen heeft. Maar ook weet, wat zij nodig hebben als er wéér proef-en drukwegen aanstaande zijn, en zij als zij gevoerd worden in de woestijn, Zijn trouw en onveranderlijke liefde zullen mogen kennen. Want het woestijnleven is geen aangenaam leven voor het vlees, dat dan niet anders kan dan murmureren, opstaan tegen God en verlangen naar de vleespotten van Egypte. Dan komt ons vijandig bestaan openbaar tegen de leidingen des Heeren. En in zulk een weg geleid te worden is juist zo nuttig, opdat wij van alles leren afzien, mogen sterven aan eigenliefde en ledig en ontbloot, arm en ellendig gemaakt, uit genade leren het op den Heere aan te laten komen, Die weet wat goed, nuttig en nodig is. In het woestijnleven, dat een beeld is van armoede, ellende, droogte, dorheid en hulpeloosheid, wordt de trouw des Heeren verheerlijkt aan een behoeftig volk en worden de liefdeshandelingen van hun Verbondsgod zo openbaar, dat een schuldig volk leert opzien naar boven, vanwaar het alles komen moet. Zijn liefdeshandelingen worden dan openbaar in het dekken onder de wolk-en vuurkolom, dat hun schoenen niet verslijten, hun klederen niet verouderen, het manna en het water uit de rots hun geschonken wordt en het Verbond aan de Sinaï wordt gesloten, wat toch het wezen der kerk geldt. Dit alles getuigt van Gods goedheid en trouw voor Zijn schuldig volk, dat uit en door genade een plaatsje krijgt aan de zijde Gods, daar alle rechten verliest, ora in dit woestijnleven, verkwikt te worden uit de beek Zijner wellusten. Waar de Heere het goed maakt met zichzelf om te spreken naar haar hart. Want wie zal dat beter kunnen ?
Dan neemt Hij de slaafse vrees weg, en werkt de kinderlijke vrees in het hart, dan troost Hij het hart dat schreiend tot Hem vlucht, Hij beurt ze op, verkwikt en versterkt het hart, droogt de tranen, doet de zoete gemeenschap ervaren, de rust voor het hart genieten; als de Heere spreekt naar hun hart door
Zijn Woord en Geest. Hij spreekt van recht en gerechtigheid, van vertroosting, vergeving en verzekering. Hij bemoedigt de ziel in de strijd, dat die niet eeuwig duren zal, door de mond van de profeet Jesaja: „Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen, en spreekt naar het hart van Jeruzalem, roept haar toe dat haar strijd vervuld is, haar ongerechtigheid verzoend is en dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden."
Zo maakt de Heere Zijn volk bekwaam om de woestijnreis voort te zetten naar het land van Kanaan dat hier boven is. Om daar verlost van de zonde, druk en kruis, smart en rouw, eeuwig in Zijn gemeenschap en gunst het volle heil te genieten.
Mijn lezers jong en oud, wat is het nodig om hier een onderwerp te worden van de zaligmakende bediening des Heiligen Geestes. Om in dit woestijnleven ons leven te verliezen, gelokt en geleid te worden en dat de Heere tot ons zou spreken van genade verheerlijkt door recht, in de genadige gift van de Zoon Zijns welbehagens, en w T ij een erfwachter der eeuwig heerlijkheid zouden mogen zijn. Dat geve de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1952
Daniel | 8 Pagina's