JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kerkgeschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

7 minuten leestijd

De tijd der Reformatie. (1517 — ± 1560)

Hoe meer men zich in dit tijdvak verdiept, des te meer wordt men getroffen én door de omvang der feiten én door de belangrijkheid van deze; niet alleen voor de Kerk maar voor alle terreinen des levens. Natuurlijk was de Reformatie in haar oorsprong een zuiver relilieuse beweging.

Daarop wezen wij reeds in ons vorig artikel.

Rome moge de Reformatie beschouwen als revolutie; wij zien in haar een gezegend werk Gods.

Het zijn een 3-tal straalpunten geweest, waaruit het licht naar buiten uitstraalde: Wittenburg, Zurich en Genève; het zijn een 3-tal mannen geweest, die dit licht hebben uitgedragen: Luther, Zwingli en Calvijn. Daarbij gesteund door hun medegenoten; de arbeid overgenomen door hun epigonen.

Het werk dezer Hervormers dient men wel te onderscheiden, echter niet te scheiden. Ook zij waren beperkte mensen en kregen elk hun taak. En ook bedenke men, dat de zuivere stralen van het Goddelijke licht, gaande door de menselijke geest, niet altijd geheel zuiver te voorschijn komen, maar allerlei aberraties vertonen. Alleen Gods Woord is waar en het is daarom de taak der Kerk de waarheid Gods meer en meer te benaderen door heilig onderzoek en de verlichting des Heiligen Geestes.

Ook is het niet waar, wat het Piëtisme later heeft beweerd, als ware de Reformatie te kort geschoten, of wil men, halverwege blijven staan, door te veel de nadruk te leggen op het leersysteem en de practijk der godzaligheid te weinig te beklemtonen.

Immers de practijk moet steunen op de leer, niet omgekeerd. Toch mogen ze nooit gescheiden worden, teneinde niet in een dode rechtzinnigheid te vervallen enerzijds; of in een gevaarlijke individualiteit, waardoor men zo gemakkelijk komt tot mystische strevingen.

De uitersten dienen ook hier vermeden.

I. De Reformatie in Duitsland.

Luther tot 1517. Het is een verheugend feit, dat de laatste tijden staan in het teken van het Luther-onderzoek, de herbestudering van zijn leven en werken, waarom men wel spreekt van een Lutherrenaissance.

Luther was de zoon van Hans Luther en Margaretha Ziegler (volgens anderen geb. Lindemann.) Beide waren uit de boerenstand en woonden aanvankelijk te Möhra in West-Thiiringen.

Het gezin verhuisde echter naar Eisleben, waar vader Luther mijnwerker werd. Hier werd op 10 Nov. 1483 onze Martinus geboren, genoemd naar de heilige wiens naamdag het toen was.

Ongeveer een half jaar later verhuisde de familie naar Mansfeld, waar zij tot zekere welstand kwam. De huiselijke opvoeding (ook die op school) was naar de gewoonte dier dagen zeer streng. Eens moet Martin op een voormiddag 15 maal een pak slaag gekregen hebben! Dat gaat dus nogal!

Bedenk, dat hij erg levenslustig was, maar ook begaafd met een vlug verstand. Later bleek hij een groot beminnaar van muziek en zang. Het was dan ook later in zijn trouwdag in het „zwarte klooster" allesbehalve een saaie boel. Hij heeft ook de liederschat der duitse kerk zeer verrijkt.

De jonge Martin bleek dan een zeer begaafde jongen en vader Luther stond erg op goed onderwijs.

Zo zien wij de knaap diverse scholen passeren: achtereenvolgens die te Mansfeld, daarna te Magdeburg (een Fraterschool!) en sedert 1498 de latijnse schooi te Eisenach. Hier komt hij door de voorzienige leiding des Heeren in de kring der familie Cotta terecht en slijt er een 3-tal aangename jaren.

In 1501 komt hij op de universiteit van Erfurt en gaat zich eerst toeleggen op de studie der „artes", een wijsgerige voorstudie, eer men een faculteit kiest.

Ook hier was hij de vrolijke en gezellige student; al kwamen reeds ernstige religieuse vragen in zijn ziel oprijzen.

In 1505 promoveerde Luther tot „magister artium" (meester in de zeven vrije kunsten). Het was de wens van zijn vader, dat hij rechten zou gaan studeren. Lang heeft deze studie echter niet geduurd.

Nog in hetzelfde jaar trad hij op 15 Juli het klooster der Augustijner Eremieten te Erfurt binnen.

De aanleiding tot deze stap was een gebeurtenis, voorgevallen op de terugweg van Mansfeld naar Erfurt, toen hij, door een hevig onweer overvallen, zeer bevende een gelofte deed; uitroepend: „Help, lieve St. Anna! Ik wil monnik worden!" De oorzaak van deze vrees was, dat de Heere bezig was hem te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel; dat hij gevoelde God niet te kunnen ontmoeten, wegens diens strenge gerechtigheid over de zonde. Wel koos hij een verkeerde weg, maar ook dat moest meewerken, om later veel dolende zielen, die evenzo daarin verkeerden, tot een leidsman te zijn. Vader Luther was hevig boos, dat zijn zoon die weg opging; hij moest nu eenmaal niets van die luie monniken hebben.

Reeds een jaar later werd hij „profes", d.w.z. deed hij zijn kloostergelofte en werd hij dus in de orde opgenomen. Weer een jaar later (1507) ontving hij de priesterwijding. De prior bestemde hem, die men al spoedig als een zeer begaafde jonge man leerde kennen, voor de studie der theologie. Al tijdens zijn philosophische studie was hij in aanraking gekomen met de Scholastiek, waarvan hij later zo'n hartgrondige afkeer had.

Bij zijn theologische studie bestudeerde hij de jongere scholastieken (Occam, Biel, Gerson, d' Ailly); ook de werken van Augustinus en die van middeleeuwse mystieken (o.a. Bernard).

Vooral Occam heeft, gelijk op zovelen van zijn tijdgenoten, veel invloed op hem uitgeoefend.

Deze wijsgeer (± 1350) liet nieuwe geluiden horen in de philosophie, verzette zich tegen wat op dit terrein vaststond en werkte zo (hoewel onbedoeld) negatief in de richting van een reformatie.

In het klooster maakte hij, wat zijn zielservaringen betreft, een zware tijd door.

Als monnik was hij gedwongen tot het bereiken van de zg. evangelische volmaaktheid en dat in eigen kracht De grote vraag was: „Hoe krijg ik een genadig God." Immers, hij leerde deze meer en meer kennen als de strenge Rechter, wiens vloek hem treffen zou, indien zijn zonden niet verzoend werden.

Hij meende in zijn blindheid ook door eigen werken die verzoening tot stand te moeten brengen door het volbrengen der evangelische geboden. Maar zijn geweten getuigde steeds tegen hem, als hij, trots al zijn pogen, de zonde steeds voor zich zag en de volmaaktheid niet wist te bereiken.

En dan die helse twijfel of hij wel uitverkoren was! Hevige zieleangsten heeft hij deswege doorgemaakt, die de toenmalige zielzorg niet vermocht weg te nemen; ja die men vaak beschouwde als al te enghartig, al te overdreven. Indien de Heei'e hem niet verborgen ondersteund had, waarlijk, hij zou in zijn druk vergaan zijn.

Wij, die achter de feiten staan, zien in de zielservaringen van deze knecht de echt reformatorische gang: het leren kennen van zijn afgescheidenheid van God vanwege zijn zonden; dat worstelen om in zelf kracht en eigengerechtigheid de breuk te helen, maar te vergeefs; maar ook de inkomst van het Evangelie, dat er nog een middel is, nl. Christus, wiens Grechtigheid de onze moet worden zullen wij rechtvaardig voor God zijn.

In 1508 werd Luther tijdelijk overgeplaatst naar de in 1502 door keurvorst Frederik de Wijze gestichte hogeschool te Wittenberg. Hier moest hij zijn theologische studiën voortzetten en tevens colleges geven in de zedeleer van Aristoteles.

Deze overplaatsing was geschied op advies van Johann von Staupitz, vicaris der orde, die uit hoofde van zijn ambt de kloosters bezocht en zo in aanraking was gekomen met Luther. Tussen die beiden kwam een innige band, hoewel de goede vicaris niet in staat was Luther in zijn zielsworstelingen bij te staan.

In 1509 moest hij weer naar Erfurt terugkeren en kreeg hij opdracht college's te geven over de Sententiën van Petrus Lombardus (Berkhof noemt dat ter verduidelijking: dogmatiek).

In het najaar van 1510 heeft hij met een medebroeder van de orde de bekende tocht naar Rome gemaakt om er een aangelegenheid nopens zijn orde te bespreken.

Hij ging er heen vol verwachting; maar werd uitermate bedroefd als hij de rotte toestanden aanschouwde, de lichtzinnigheid, waarmee zelfs de hoogste prelaten waren behept.

Zelf bleek hij nog met veel blindheid bezet, toen hij de Pilatustrap opkroop en op elke trede een Onze-Vader bad om zijn grootvader uit het vagevuur te verlossen.

Het bekende verhaal, dat hij bij het kruipen de woorden uit Rom. 1 hoorde, „de rechtvaardige zal uit het geloof leven", later door zijn zoon verteld, is gebleken louter phantasie te zijn, gelijk meer vertelde voorvallen. Hij kwam terug zoals hij gegaan was: als een trouwe zoon der h. Moederkerk. Eerst later zouden de op deze reis opgedane ervaringen hem te pas komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1952

Daniel | 8 Pagina's

Kerkgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1952

Daniel | 8 Pagina's