NOG ENKELE DIEREN 2.
1. Leeuwen.
Omtrent deze dieren kunnen we allereerst opmerken, dat ze thans in Palestina niet meer voorkomen. In oude tijden echter wel. Op de oudste kaart, die er van KanaSn bestaat, de zgn. Madabakaart, daterend uit de zesde eeuw voor Chr., komt de afbeelding van een leeuw nog voor. Toen was de Koning der dieren daar dus nog een bekende verschijning. In de Bijbel treffen we herhaaldelijk de leeuw aan. Denk slechts aan de geschiedenis van Simson en aan de geschiedenis over David en Goliath.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat we dikwijls beelden tegenkomen in de Bijbel, die aan leeuwen ontleend zijn. We zullen er enkele noemen met de schriftuurplaatsen:
Als roofdier bij uitnemendheid heeft hij een schuilplaats nodig en juist deze zijn in een land als Kanaan in overvloed voorhanden: et lang gras begroeide streken, ideaal voor een sluipende leeuw, en hiertussen verspreid heestergewas en kreupelhout: Hij legt lagen in een verborgen plaats gelijk een leeuw in zijn hol" (Ps. 10 : 9), „Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgene plaatsen." (Ps. 17 : 12).
Stel u voor een leeuw, gereed voor de aanval, nadat hij zijn prooi heeft beslopen: de kop met de geopende muil en de fonkelende ogen diep tussen de schouders voortdurend dof brommend en met de staart langs het lichaam zwepend. Voor de prooi een situatie van acuut
gevaar. Vandaar de bede: Heere mijn God! op U betrouw ik; verlos mij van al myn vervolgers, en red mij. Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is. (Ps. 7 : 2, 3.)
Vergun mijn ziel een beter lot; Verlos haar door Uw sterke hand, Uit dezer leeuwen klauw en tand. (Ps. 35 : 8b.)
Wie kent niet de geweldige kracht, de stoutmoedigheid en de ontzagwekkende gestalte van de leeuw? „Mijn ziel is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn en hun tong een scherp zwaard." (Ps. 57 : 5). Dit is een schreeuw van iemand, die in de bangste nood verkeert zoals David temidden van zijn brute vijanden. Gelukkig als zo iemand zeker mag zijn van de belofte:
Gij zult op jonge leeuwen treên, Op giftig' adders stappen, En door gevaar noch vrees bestreên, De leeuw en draak vertrappen. (Ps. 91 : 6).
2. Jakhalzen en hyena's.
Hier is reeds het een en ander over gezegd bij de behandeling van kudde en herder. Men zie aldaar.
3. Honden.
Deze dieren worden wel eens genoemd de „straatreinigers van het Oosten." In groten getale dolen ze zonder eigenaar door de Oosterse steden en doen het werk, dat het stadsbestuur naliet: het reinigen der straten. Ze vreten alles op, kieskeurig zijn ze allerminst: dode dieren, rotte vruchten, afval. Vooral in de nacht roeren ze zich; dan kan men hun akelig, breed in de nacht uitgalmend gebas horen, afgewisseld met felle geluiden van een verwoede vechtpartij. In een oud bewaard gebleven jaaroverzicht van Koning Assurbanipal lezen we: „De lijken der inwoners van Babyion, Koetha en Sippar welke door de pest werden getroffen, en die door gebrek en honger waren omgekomen, zij werden het voedsel voor de honden en de varkens, welke de straten versperden en de pleinen vulden; hun gebeente liet ik Uit Babyion en de andere steden wegdragen." Ook vangen ze veel sprinkhanen om zich mee te voeden. Als een boer een schaap slacht, staan de honden al te wachten op het ogenblik, dat de ingewanden weggeworpen worden en dat ze het bloed kunnen lekken. Voor de Israëlieten was de hond dan ook een zeer afzichtelijk wezen. Mefiboseth was dan ook buitengewoon nederig, door zichzelf een dode hond te noemen. Had een levende hond al geen achting, een dode helemaal niet.
Deze Oosterse honden zijn zo groot als onze herdershonden, geelachtig van kleur en ruig van haar. Met dergelijk ongedierte vergelijkt David zijn vijanden: Laat hen dan tegen de avond wederkeren; laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn ze niet verzadigd." (Ps. 59 : 15, 16.)
Toch kunnen onder bepaalde omstandigheden de meest gehate en verfoeide dieren nog een weldaad zijn. „En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijn - poort, vol zweren, en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren." (Lukas 16 : 20, 21). Hier deden de honden een weldaad aan een gekende des Heeren, door zijn schrijnende zweren door een hondentong te verzachten.
4. De eenhoorn.
Dit dier komt in onze aloude Statenvertaling nogal eens voor bv. in Ps. 22 : 22: Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen".
Een eenhoorn is een rund, een os, groot van gestalte en borstelig behaard en zeer sterk. De naam zou doen vermoeden, dat het dier maar één horen op zijn kop draagt. Dit is echter niet waar. Evenals onze koeien en stieren heeft hij er twee, lang, eerst zijwaarts en daarna sterk naar voren gebogen. Hoe zijn onze Statenvertalers dan aan het woord eenhoorn gekomen? Deze fout is reeds gemaakt in de vertaling der Zeventig, de zgn. Septuagint. Hierin komt voor het woord „monoceros" — letterlijk vertaald: enhoorn. Vermoedelijk kwam men daartoe, omdat op oude Babylonische reliefs deze dieren werden afgebeeld van terzijde gezien, zgn. en profiel, zodat de ene horen de andere bedekt en er dus maar één zichtbaar blijft en dit woord is door de Statenvertalers overgenomen. Een eenhoorn heeft dus twee hoi'ens. „De stem des Heeren breekt de cederen; ja, de Heere verbreekt de cederen van Libanon, en Hij doet ze huppelen als een kalf; de Libanon en de Sirjon (= Hermon) als een jonge eenhoorn." (Ps. 29 : 5, 6.)
Kortheidshalve wijzen we nog op de steenbokken, waarvoor de hoge bergen zijn (Ps. 104). Het innig verlangen naar God wordt uitgedrukt in het hert, dat naar de waterstromen schreeuwt (Ps. 42). Leugensprekers worden vergeleken met giftige slangen: Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt." (Ps. 58 : 5.)
Bijen worden vaak gebruikt als beeld voor de gevaren der omsingeling: Zij hadden mij omringd als bijen." (Ps. 118 : 12a.) Dit beeld is zeer treffend, daar de Palestijnse bij zeer spoedig steekt en een sterke neiging
tot zwermen vertoond. Bij ons is de bij vaak een beeld van ijver en zorgzaamheid, in de Bijbel dus niet.
Geachte lezers (essen), wij hadden gedacht met dit artikel de serie „Zijner handen werk" af te sluiten. We hadden dit al eerder willen doen, maar telkens kwamen we weer onderwerpen tegen, die we meenden te moeten behandelen. Van volledigheid is geen sprake. Wij hebben in alle eenvoud getracht, van verschillende Bijbelplaatsen een beknopte verklaring te geven, die berust op gegevens, welke de natuur van het land verschaft. Er is door iemand eens gezegd: „De theologie in het centrum, de andere wetenschappen haar dienend." Een van die wetenschappen hebben we in deze artikelen laten spreken, nl. de natuurwetenschap: gegevens van land, klimaat, planten en dieren, die ons door vroegere en latere onderzoekers verschaft zijn. Wanneer door deze eenvoudige artikelen voor de getrouwe Bijbellezer Gods Woord verstaanbaarder werd gemaakt, mogen we onze arbeid niet tevergeefs beschouwen. Hoofdzaak mocht voor ons echter zijn of worden, dat de Heere door Zijn Geest het voor ons van nature gesloten Boek moge openen om daarin te mogen vinden de weg, die ten leven leidt.
Hoe wonderbaar is Uw getuigenis! Dies zal mijn ziel dat ook getrouw bewaren; Want d'oop'ning van Uw woorden zal gewis, Gelijk een licht, het donker op doen klaren; Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuw'gen nacht zou baren
EINDE.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1952
Daniel | 8 Pagina's