JOHN G. PATON
Bidden en werken door God beloond.
Dag in dag uit werkte Paton aan zijn put. Enige mannen, door het ontvangen van messen en bijlen, hielpen hem. Er was een katrol aan een paar bomen bevestigd en op zo'n manier konden de volle emmers aarde gemakkelijk naar boven gehesen worden.
Toen de put dertig voet diep was, zag Paton tot zijn grote vreugde, dat het koraal vochtig werd. Nu zou er weldra water zijn. Stellig geloofde hij, dat de Heere een bron zou schenken, maar als het water nu maar niet zout zou zijn.
Opgetogen vertelde de zendeling aan Namakei, dat Jehovah morgen wellicht water zou geven.
Het oude opperhoofd schudde het hoofd en sprak: „Neen, Missi, ge zult op dit eiland de regen nooit uit de grond zien komen. We zijn benieuwd wat het einde zal zijn van uw dwaze onderneming. Elke dag verwachten wij, dat gij, als ge aan water komt, er in zult vallen en dan naar zee zult drijven om door de haaien verslonden te worden. Het einde zal zijn: voor u de dood en voor ons allen gevaar."
„Ik hoop toch, dat mijn God het water voor u uit de grond zal doen komen. Ik geloof het vast. Kom morgen maar kijken."
De zendeling had veel gewaagd met deze woorden zo' beslist uit te spreken. Maar toch, hij wist dat al wat hier gebeurde niet ging om de verheerlijking van een mens, maar dat Gods eer er mee gemoeid was.
De volgende morgen. Paton is afgedaald in de diepte. In het midden van de put graaft hij een nauwe opening van een paar voet diep. Wat zal er gebeuren? Het zweet parelt op zijn voorhoofd, niet van het werken, maar van de grote spanning. De man beeft over zijn hele lichaam.
Nog een schepje aarde weg en nog één. En wat gebeurt er? Zacht borrelt water omhoog en het gemaakte gat is weldra gevuld. Paton vult een kroes met het modderige water en brengt die bevend aan zijn mond. Wat deert het, dat het water troebel is? Het is w& ter! De zendeling drinkt. De kroes valt bijna uit zijn handen, want hij proeft dat het water zoet is. Stel je toch voor: zoet water uit de gegraven put! Paton zou wel op zijn knieën neer willen zinken om de Heere te danken.
„Ik heb zoet water, levend water, uit de bron van Jehovah!" roept hij uit. „De Heere zij gedankt!"
De man is opgewonden van blijdschap. De opperhoofden met hun mannen komen dichterbij en staan gespannen te kijken in het diepe gat. En wat zien ze nu gebeuren? Daar komt Missi met een kruik in zijn hand naar boven.
„Komt nu allen eens zien, " roept hij uit, „naar de regen, die Jehovah ons gegeven heeft."
Zie nu de mannen verwonderd staan kijken. Namakei, het opperhoofd, neemt de kruik over en schudt om te zien of de inhoud wel vloeibaar is. Hij steekt zijn vinger in de kruik om te voelen of het net als water is. Hij neemt een teug en spoelt zijn mond er mee. Hij slikt de vloeistof in en dan, dan roept hij, verheugd en verwonderd: „Regen, regen! Het is regen. Hoe komt ge er aan? "
„Jehovah, mijn God, gaf het uit Zijn aarde, als antwoord op ons werken en bidden. Kom nu eens zien hoe het opborrelt."
Schuchter schuifelen de mannen naar de rand van de wel. Ze durven niet met zijn allen vlak bij de put komen. Ze geven elkaar een hand en vormen zo een rij. De voorste kan dan even naar beneden kijken; dan gaat hij naar de achterste plaats en dan kan de tweede zich overtuigen wat er gebeurt diep in de grond. Vervolgens nummer drie, en zo krijgt elk een beurt.
Toen ze allen het wonder hadden gezien, riep Namakei uit: „Missi, wonderlijk is het werk van uw God'. Nooit heeft een god van Aniwa ons zó geholpen! Maar Missi, zal het nu voortaan altijd regenen uit de aarde? Zal deze regen ook ophouden, net als de regen uit de wolken? "
„Ik geloof, " sprak Paton met overtuiging, „dat deze regen steeds voor ons gebruik zal blijven, als een goede gave van Jehovah."
„Missi, krijgen wij er ook iets van, of drinkt gij en uw gezin alles op? "
„Zeker, " sprak de zendeling, „al uw volk en al de mensen van Aniwa mogen komen en zoveel meenemen als ze maar willen. Hoe meer er gebruikt wordt, hoe beter het water zal zijn. Zijn Naam zij gedankt!"
„Missi, wat kunnen wij nu verder doen om u te helpen? " vroeg het opperhoofd.
Nou, er was nog heel wat te doen om de wel netjes af te maken. Van boven tot beneden moest de wand met koraalblokken bemetseld worden. Helpers waren er nu genoeg. In korte tijd was het materiaal op de plaats van bestemming gebracht. De koraalblokken werden stevig in de wanden bevestigd, terwijl de mond van de put met hout werd bedekt. Door middel van een katrol kon elk op een gemakkelijke manier een emmer water omhoog hijsen. Het was een mooie put geworden, beneden zes voet en boven acht voet breed, terwijl de diepte vierendertig voet bedroeg.
Later gingen de inboorlingen van Aniwa op andere plaatsen wellen graven, maar het succes bleef uit. Wel een keer of zeven probeerden ze het zonder resultaat. Nu weer stuitten ze op de harde koraalrotsen, dan weer vonden ze water dat zout was.
Hoe zou dat toch komen? De inboorlingen wisten het antwoord. Ze zeiden: „Missi gebruikte niet alleen houweel en spade, maar hij bad ook tot zijn God. Jehovah wil ons geen regen uit de grond geven, omdat wij wel weten hoe we graven moeten, maar niet hoe we moeten bidden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1952
Daniel | 8 Pagina's