JOHN G. PATON
Kan er regen uit de grond komen?
Kan er regen uit de grond komen?
De werkzaamheden van een zendeling zijn velerlei. Het is niet zó, dat hij slechts het Woord des Heeren moet brengen aan arme heidense mensen, maar op allerhande gebied moet hij klaar staan om de bevolking te helpen.
Op Aniwa regende het zeer weinig', behalve dan in het natte seizoen. Dan viel er behoorlijk water, maar dat was weer spoedig in de bodem van het koraaleiland verdwenen. De inboorlingen kwamen met zeer weinigwater toe: hun dorst werd gelest door de melk van cle kokosnoten of door het kauwen op een stuk suikerriet; voor het wassen van kleren hadden ze evenmin water nodig, want de wilden lopen zo goed als naakt. De blanken daarentegen hadden veel ongemak door het schaarse water.
Zendeling Paton had al lange tijd nagedacht over de mogelijkheid om aan water te komen. Een wel graven, zoals in zijn vaderland? Heel diep zou zo'n put moeten zijn, en wie weet, wellicht zou er zout water in opwellen. Maar dis er een put kwam met zoet water, wat zou het een uitkomst zijn, niet alleen voor het zendingshuis, maar ook voor cle hele omgeving! Paton besloot te gaan graven.
„Ik ga een diepe put in de grond graven om te zien of God ons daaruit fris water geven wil, " sprak de zendeling tegen het oude opperhoofd Namakei en zijn vriend Naswai.
Verwonderd keken beide mannen Paton aan en zeiden: „O, Missi! wacht tot de regen van boven komt, dan zullen wij daarvan zoveel voor u besparen als we maar kunnen."
„Als wij geen fris water kunnen krijgen, zullen wij genoodzaakt zijn u te verlaten, want wij zullen sterven van gebrek aan water, " sprak de zendeling.
De oude Namakei zag de zendeling smekend aan en zeide: „O, Missi om die reden moet gij ons niet verlaten. De regen komt alleen van boven. Hoe kan ons eiland regenbuien van beneden naar boven brengen? "
„In mijn land komt zuiver water uit de grond en ik hoop dat dit hier ook zal gebeuren."
„O, Missi! uw hoofd is niet in orde, anders zoudt ge zo niet spreken. Laat ons volk niet horen dat ge in de grond gaat om regen te zoeken, want dan zullen ze nooit meer naar u luisteren."
Dit gezegde van het opperhoofd kon Paton echter niet van zijn plan afbrengen. De zendeling zocht een plaats in de buurt van het zendingshuis en ging met houweel en spade aan de gang.
houweel en spade aan de gang. Medelijdend zag het opperhoofd Paton aan. Zijn manschappen liet hij op enige afstand de wacht houden, want er zou beslist iets ergs met Missi gebeuren.
„Arme Missi!" sprak hij. „Zo gaat liet met allen die gek worden. Als zij zich eenmaal iets in het hoofd hebben gezet, krijgt niemand het er meer uit. Wij moeten hem nu daar eens stil laten begaan. Het zal hem moeilijker vallen met houweel en spade te werken dan met zijn pen. En als hij moe is, zullen wij hem overhalen het op te geven."
Nou, de zendeling werd moe en het was zeer warm om te graven in de brandende zonneschijn. Maar het werk opgeven, dat nooit. Wat zouden cle inboorlingen dan wel moeten denken! De vindingrijke zendeling had al iets gevonden. Hij ging zijn huis binnen en vulde zijn zak met mooie, grote Engelse vishaken, waar de inboorlingen verzot op zijn. Zij hebben vishaakjes, wel kunstig van schelpen vervaardigd, maar die niet half zo geschikt zijn als die van Missi.
„Ziehier." riep Paton, en hij hield een mooie vishaak in de hoogte, „wie drie emmers grond uit dit gat graaft en leeg gooit, krijgt een vishaak."
De uitwerking van deze woorden was groot. Iedereen wou graag een vishaak verdienen. De emmers werden gevuld en geledigd en de vishaken verdwenen snel uit Patons zak. De zendeling werkte zelf ook ijverig mee en zodoende was de put twaalf voet diep geworden.
Helaas, de volgende morgen, toen Paton bij zijn put kwam, zag hij dat één kant was ingestort. Een groot deel van de moeizame arbeid was tevergeefs geweest.
„Ziet u nu wel, Missi, " sprak Namakei, „dat er op Aniwa nooit regen uit de grond komt! Ais ge nu vannacht eens in die kuil waart geweest, dan zoudt ge er in begraven zijn geworden, en dan zou er een oorlogsschip van koningin Victoria gekomen zijn om te vragen naar Missi' die hier woonde. Wij zouden dan zeggen: Hij is hier in deze kuil. De kapitein van het schip zou vragen: Wie heeft hem gedood en hem in de kuil geworpen? Dan zouden wij moeten zeggen: Hij is er uit zichzelf in gegaan. De kapitein zou ons antwoorden: Onzin. Wie heeft ooit gehoord dat een blanke in de grond ging om zich te begraven ? Gij hebt hem gedood en hem er in gegooid. Wilt ge uw slecht gedrag met leugens goed praten? De kapitein zou zijn grote kanonnen laten komen en ons doodschieten en ons eiland verwoesten. Gij graaft uw eigen graf, Missi, en ook het onze. Geef die dwaze gril op, want ge zult op Aniwa geen regen in de grond vinden. Mijn mannen zullen voor uw vishaken niet meer in de kuil gaan. Zij willen met u niet begraven worden. Geeft het werk toch op."
Maar Paton gaf de moed niet op. „Die instorting is mijn eigen schuld, " zei hij. „Ik had maatregelen moeten nemen, dat er geen verzakking kon plaats vinden. Ik zal, met de hulp van mijn God", alleen het werk voort zetten."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1952
Daniel | 8 Pagina's