Aan de jonge lezers,
Ik schreef IJ hel laatst over hel hoek Visioenen der Voleinding van Dr Hendriksen. Allerminst hen ik daarmede klaar, maar ik zal het kort maken; ge moet het hoek zelf beslist eens lezen.
Als ik dat boek prijs, betekent dit geenszins dat IJ het cr nu in alles precies mede eens moet zijn of dat er niet andere lectuur is die van nog hogere kwaliteit is. Dit boek is echter niet een prekenboek, ge zoudt het in de kerk of in '/ gezelschap niet kunnen voorlezen. Daarvoor is het weer te compleet, te veel de stof ineengedrongen. Neen, het is een boek om rustig, naast de Bijbel gelegd, te bekijken van blad tot blad. Dr Hendriksen is er m.i. zeer schriftuurlijk in; is afkerig van fantasieën en is ook eerlijk, wanneer hij twee verklaringen van een zaak geeft, tussen ivelke de lezer zelf dan kiezen kan.
Dus dan een paar opmerkingen.
Allereerst de schone verwijzing naar hel Oude Testament. Dr Hendriksen zegt dat meer dan 400 aanhalingen uit de Openbaring wat hun vorm betreft hun evenbeeld en wortel vinden in het O.T. Een reeks van beide geeft hij op blz. 51 naast elkander op. Ja, de Bijbel is een eenheid, een werk van goddelijke oorsprong! Laat de boekhandelaar zijn kerkboekjes, ivaar alleen het Nieuwe Testament in staat, maat' zelf houden.
Een klein reeksje geef ik hier weer van Openbaring en Oud Testament:
De rol — Ez. 2 : 9, Zach. 5 : 1—3 De leeuw uit Juda — Gen. 49 : 9, Jes. 11 : 10 De engel die zweert — Dan. 12 : 7 Het boekske — Ez. 2 : 9 en 3 : 4 De val van Babel — Jes. 13, 14, 21, 46, 47, 48 Jer. 25, Dan. 2, Hab. 3 Ez. 27 (Tyrus).
En zo is er een hele rij.
Ook komen er mooie passages voor betreffende de wijze van tekstverklaring. „Een gezonde methode van uitleggen zal trachten zich grondig van nieuwigheden te vrijwaren." Inderdaad, het Woord is zo rijk, dat wc daarnaast geen bijzonders nodig hebben. „De Apocalypse is geworteld in de H. Schriften en dient verklaard te worden in harmonie met de leer van de gehele Bijbel."
Had ik u reeds doen blijken dat de Nieuwe Bijbelvertaling mij niet aanstaat dan zeg ik er nog dit van, dat het woord „hel" cr wel in voorkomt, doch op veel plaatsen vervangen is door „dodenrijk". Dat lijkt mij een verandering> die een verarming is. Zoals cr wel meer in de N. Vert. staat dat volkomen nodeloos anders luidt dan onze Statenvertaling. Intussen: er is sprake van graf, dood en hel. Christus is nedergedaald ter helle en daar geeft onze Catechismus op het voetspoor van Calvijn de beste uiteenzetting van. Er is na het sterven zeker een slaat des doods voor allen, totdat de dag des oordeels komt; dan worden ziel en lichaam ver-
enigd. Toch doet dat veelvuldig voorkomende woord dodenrijk, die Ilades, mij te veel aan het heidendom denken.
Christus is in de hel niet geweest. Rom. 10:7 en 8 bestrijden hen die uit wettisch beginsel Christus' borgtocht verloochenen, alsof zij zelf in de Hades moesten afdalen om de zaligheid te verkrijgen. (Dogm. Ds Kersten, blz. 37). — Het „nedergedaald ter helle" moet in zijn volle omvang dus in onze Ned. Gel. Rel. blijven staan.
Schoon is ook te lezen de bijzonderheden der 7 gemeenten aan welke de 7 brieven gericht zijn. Ja, daar is toen wat te koop geweest om christen te wezen. Broodroof, armoede, marteling, dood, dat was het lot. En daarin is de positie der gemeente des Heeren toch getekend, ook voor nu en de toekomst. In die 7 gemeenten waren de handwerkers in bonden of gilden verenigd, die stonden onder bescherming van speciale goden. Die moesten aangebeden fnaast de verering van de Keizer) en hun zedeloze feesten moesten bijgewoond worden en zo niet: dan geen werk, geen handel, geen brood, maar vervolging lot de dood toe. Toch troost God die Gemeenten met deze 7 troostbrieven.
Wat denken jullie van onze „bedrijfsscliappen" waar bij elke tak van maatschappelijk leven thans, in 1952, moet aangesloten zijn? Tot de kerk toe wil men er onder brengen. Is hier soms iets van het merkteken dat men hebben moet om zijn brood te kunnen verdienen? (Openb. 13 : 15).
Het is dus helemaal niet zo dat ivist ik ook wel — als ik jaren geleden een dominé hoorde zeggen, nl. dat dat onderscheid in die 7 gemeenten weinig te betekenen had! Dat leren Openb. 2 en 3 toch zeker anders. Maar de man bedoelde het heus goed; doch het gaat op de kansel niet zozeer om wat de prediker bedoelt, maar wat de tekst, het Woord van de Majestieuse God zegt.
Nu ga ik weer ophouden, 't Is maar zo'n beetje praten, nietwaar? Koop het boek en lees hel zelf.
Uw briefschrijver volgt, met dit boek, de nieuwe spelling, 't Is anders maar arm, hoor. Waar zijn mijn verbuigingen en naamvallen van de schoolbanken, mijn mooie, nederlandse taal? Nu kan je soms in een zin geen onderwerp meer van l lijdend voorwerp afscheiden. Ruim op die oude boel, wij houden van wat makkelijk is; schrijf maar zoals je praat! Leve de revolutie!
Maar nu die armoede in vijf van die zeven gemeenten, aan wie Johannes moet schrijven. Aangeklaagd door de fanatieke Joden, vervolgd door de wrede heidenen, die onder het Romeins bewind leefden. Daar moest goddelijke genade wel kracht geven. Dus komt dc verheerlijkte Heiland haar met brieven verkwikken en ook waarschuwen.
Onder 't lezen dacht ik aan onze wasvrouw, vrouw Lock. In mijn kinderjaren kwam ze veel thius omdat ze voor ons waste. Die droeg al een zwaar kruis, maar, ze bezweek er niet onder. 't Was een echt kind des Heeren, Later zal ik D.V. toch iels van haar vertellen, bij uitzondering, omdat Daniël er niet is voor de verhaaltjes.
Gegroet, A. J. Iv.
In heel oude tijden vinden we bij de Israëlieten geen paarden genoemd. Zelfs toen Israël zich als natie in Kanaan had gevestigd, had het geen paarden in tegenstelling tot de Kanaanieten, Assyriërs en Babyloniërs, om er maar enkele te noemen. We lezen daar 'herhaaldelijk over. Nu behoeft het ons niet bovenmate te verwonderen, dat de Israëlieten aanvankelijk geen paarden hadden, immers deze dieren werden in de oudheid bijna uitsluitend gebruikt in de oorlog. Daarom was het paard het symbool van heidense machten. Israël was „een volk, dat alleen zou wonen, " dus in niets op de omringende volkeren zou lijken. De naburige heidenen mogen paarden hebben om daarmee hun oorlogen te kunnen winnen (paard-strijdwagen), Israël moest zonder deze gevreesde wapens vechten, alleen om hun vertrouwen te stellen op den Heere. „Dezen vermelden van wagens en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren, onzes Gods." (Ps. 20 : 8) „Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen." (Ps. 33 : 17, 18). In de wetten aan Mozes was het zelfs aan de koningen verboden, de paarden te vermenigvuldigen: Maar hij (cle Koning) zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; dewijl de Heere ulieden gezegd heeft: ij zult voortaan niet. wederkeren door deze weg." (Deut. 17 : 16). Niettegenstaande dat heeft toch Koning Salomo als eerste der Koningen later de ruiterij in het leger ingevoerd: Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vier honderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en leide ze in de wagensteden en bij de Koning in Jeruzalem." (1 Kon. 10 : 26.) Terloops zij hier nog even vermeld, dat primitieve, krijgszuchtige stammen nagenoeg alle de paardenteelt beoefenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1952
Daniel | 8 Pagina's