JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

NOG ENKELE DSEREN. 1.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOG ENKELE DSEREN. 1.

6 minuten leestijd

1. Paarden.

In heel oude tijden vinden we bij de Israëlieten geen paarden genoemd. Zelfs toen Israël zich als natie in Kanaan had gevestigd, had het geen paarden in tegenstelling tot de Kanaanieten, Assyriërs en Babyloniërs, om er maar enkele te noemen. We lezen daar 'herhaaldelijk over. Nu behoeft het ons niet bovenmate te verwonderen, dat de Israëlieten aanvankelijk geen paarden hadden, immers deze dieren werden in de oudheid bijna uitsluitend gebruikt in de oorlog. Daarom was het paard het symbool van heidense machten. Israël was „een volk, dat alleen zou wonen, " dus in niets op de omringende volkeren zou lijken. De naburige heidenen mogen paarden hebben om daarmee hun oorlogen te kunnen winnen (paard-strijdwagen), Israël moest zonder deze gevreesde wapens vechten, alleen om hun vertrouwen te stellen op den Heere. „Dezen vermelden van wagens en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des Heeren, onzes Gods." (Ps. 20 : 8) „Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen." (Ps. 33 : 17, 18). In de wetten aan Mozes was het zelfs aan de koningen verboden, de paarden te vermenigvuldigen: Maar hij (cle Koning) zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; dewijl de Heere ulieden gezegd heeft: ij zult voortaan niet. wederkeren door deze weg." (Deut. 17 : 16). Niettegenstaande dat heeft toch Koning Salomo als eerste der Koningen later de ruiterij in het leger ingevoerd: Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vier honderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en leide ze in de wagensteden en bij de Koning in Jeruzalem." (1 Kon. 10 : 26.) Terloops zij hier nog even vermeld, dat primitieve, krijgszuchtige stammen nagenoeg alle de paardenteelt beoefenen.

2. Ezels.

In tegenstelling met de paarden dus had bijna elke Israëlietische boer, ook de kleine, wel een ezel, muildier of muilezel. Wij gebruiken deze woorden vaak door elkaar. Zonder er dieper op in te gaan, zij hier slechts vermeld, dat een muildier een kruising is van een ezelhengst en een paardenmerrie, terwijl de moeder van een muilezel een ezelin is.

Een muildier verenigt in zich cle eigenschappen van beide ouders. Zijn bouw lijkt 't meeste op een paard, uitgezonderd de lange oren en het geluid, dat het maakt, lijkt op het gebalk van een ezel. Krachtig en moedig als een paard is het ook weer voorzichtig als een ezel. Voorts is het erg humeurig en een onervaren berijder ligt spoedig op de grond. Het schrikt van alles en staat dadelijk klaar met woedende schoppen. Daarom is het muildier of muilezel (beide woorden worden door elkaar gebruikt) in de Bijbel een beeld van koppigheid en weerbarstigheid. „Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men bi'eidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake." (Ps. 32 : 9.)

Het ezeltje rijdt echter prettig. Neen, niet de ezels, die wij in ons land kennen en waarvan spreekwoordelijk is geworden: zo dom of zo lui als een ezel. Ze horen eigenlijk in ons koude klimaat niet thuis. De Oosterse ezel is mooi en zilvergrijs van kleur. Hij is levendig en vlug, wat groter dan de onze en o, zo voorzichtig. Moet men gaan langs steile afgronden, bestijg rustig een ezel en stuur hem niet. Rustig brengt hij je tussen de stenen door, vlak langs het randje van steile rotskloven, naar het doel. Een zadel draagt hij niet, hoogstens legt men een kussen op zijn rug.

Meermalen lezen wc in de Bijbel over een ezel. Denk b.v. aan Abraham: Toen stond Abraham des morgens vroeg op en zadelde zijn ezel enz." (Gen. 22 : 3). De ezel van Bilcam is overbekend geworden. Zacharias profiteert: Verheug u zeer, gij dochter Zions! Juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen." (Zach. 9:9).

3. Het kameel.

Dit dier is overbekend en heet in de Bijbel doorgaans kemel. Da Costa zingt in het gedicht Hagar: „het levend schip, dat door de zandzeebaren zijn koers houdt, rijk bevracht met hem van Oosterwaren." En inderdaad, voor een reis door de woestijn is geen beter dier denkbaar. „Het schip der woestijn", wordt het terecht genoemd, misschien om zijn schommelende gang, want de kemel behoort tot de telgangers, d.w.z. beide rechterpoten worden tegelijk verzet en daarna de beide linker. Heel wat mensen, die voor 't eerst op een kameel rijden, kr ijgen al heel gauw een gevoel, dat veel lijkt op de beruchte zeeziekte.

Lichaamsvorm en leefwijze zijn geheel berekend op verblijf in de woestijn. De hoeven zijn gespleten, wijken bij het neerzetten sterk uiteen en daardoor wordt het draagvlak groter, waardoor diep wegzakken in het zand wordt voorkomen. Gaat het dier liggen op het gloeiend hete woestijnzand, dan ondervindt het daarvan geen hinder, want op buik en poten zitten dikke eeltknobbels. De neusgaten kunnen door klepjes wor-

den afgesloten, zodat bij een woestijnstorm er' geen zand in kan dringen.

Op de rug bevinden zich twee (kameel) of één (dromedaris) vetbulten tot 15 kg zwaar. Ze bevatten reservevoedsel. Na een lange woestijnreis zijn ze nagenoeg verdwenen, doordat dan dat reservevet wordt opgeteerd.

Voordat de reis begint, drinkt het beest zo'n 100 1 water, maar dan kan het ook zeker 6 dagen zonder drinken voort en legt dan 60 tot 80 km per dag af.

drinken voort en legt dan 60 tot 80 km per dag af. De toom dient alleen om hem te doen stilstaan. Sturen geschiedt met tikjes links of rechts op de hals.

Het uitgevallen haar in het vooi'jaar wordt verzameld, en dient als grondstof voor de vervaardiging van tentdoek, dekens en mantels. De mest wordt als brandstof gebruikt.

Zijn vlees is smakelijk, maar slachten doet men een kameel niet zo gauw. Be melk wordt door de woestijnbewoner wel gedronken. Op lange of ongelukkige reizen is het soms zijn enige voedingsmiddel.

„Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat of te brengen naar Egypte." (Gen. 37 : 25).

„En wederom zeg Ik u: et is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk. Gods." (Matt. 19 : 24.)

Op wagens, paarden, en op helden, Zij onze vijand stout; Wij zullen d' eer en grootheid melden Van God, die ons behoudt; . Zij zijn gekromd, ter neer gestoten, Van moed beroofd en krachten, Maar wij, wij hebben 't heil genoten, Waarop ons God deed wachten. (Ps. 20 : 4.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1952

Daniel | 8 Pagina's

NOG ENKELE DSEREN. 1.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1952

Daniel | 8 Pagina's