Aan de jongelui, her en der verspreid.
Briefwisseling
Het wil mij nooit uit de gedachten wat daar voorviel, circa 50 jaar geleden, op de Prinsegracht van het vorstelijk 's-Gravenhage. Die Prinsegracht, dit tussen haakjes, he, eft aan de ene zijde de fraaie aristocraten panden van het rijke volk", zo men dat vroeger omschreef, en aan de andere kant de stegen en slop jes en allerlei gewone huizen, waar „de mindere man" zich ophield. Zo is Den Haag; vorstelijke weelde, koude bluf en tamelijke armoede, indien men althans nu nog van armoede mag reppen. Arme mensen heten tegenwoordig „sociaal-zwakken' of worden althans met iets dergelijks aangeduid. De zaak blijft dezelfde, alleen de naam verandert. Maar nu verder. Toen, 40 d 50 jaar geleden zag de P rinse gracht er heel anders uit dan nu. Ze ivas toen nog een gracht. Aan die gracht was o.a. een Keuchenius-school, ze is er nog, maar verbouwd.
Nu geviel, dat aldaar ook een dominé woonde. Een man van statuur, die niet alleen in de „Grote Kerk" stond, maar ook was aangewezen als Hofprediker. Dus maar niet de eerste-de-beste. dat begrijpt U.
Van deze dominé ging een dochter trouwen (taalkundig is dit niet mooi, maar laat het in deze examen maand toch maar doorglippen). Zulk een bruiloft gaf grote besognes. Ook voor de stalhouderij. die altijd het „rijke volk" reed gaf het veel hoofdbrekens. Op 't laatste moment zat er in de regeling van het voorrijden nog een klein knoopje. Wat lag meer voor de hand, dan dat de stalhouder de boekhouder naar de dominé zond om het even te bespreken?
Dus ging de boekhouder naar de Prinsegracht. Een man, gekleed in donkerblauw jacquet, zwarte bolhoed op, stemmig, zoals men van een goede vijftiger verwachten mocht.
Dominé ging juist uit; de boekhouder trof hem dus op straat. Hij nam de hoed af, maakte een lichte buiging, en toen, ja, toen gebeurde dat erge, dat ik nu beschrijven moet. Het boekhoudertje zei zo ongeveer dit: Dominé, mag ik U eens even vragen ; — maar, daar bleef hij, met de hoed in de hand, sprakeloos en aan de grond genageld staan.
Want uit des Dienaars mond kwam hem de volgende vriendelijkheid tegen: „Mijnheer, wie heeft V het recht gegeven mij op straat aan te spreken? ? "
Nu, daar heeft de man in 't jacquet toen nog antwoord op weten te geven en toen viel het toch nog zo goed uit, dat Z.Eerw. te kennen gaf, ivat de boekhouder graag wilde weten.
Het komt mij voor, dat sommigen onder ons wel eens uit het oog verliezen dat wij onze voorgangers altijd achting moeten toedragen. Maar ivat daar vroeger voorviel, schiep toch wel een al te grote afstand.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1952
Daniel | 12 Pagina's