Zingende en luisterende gevangenen
En omtrent middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen. (Hand. 16 : 25.)
Er gebeuren daar in de kerker wonderen. Voor ons onbegrijpelijke dingen en toch voor Gods kinderen geen onbekende dingen. Wat niet te begrijpen is, is daarom nog niet onbekend. Vraagt het maar aan Gods kinderen die er niet vreemd van bleven.
Twee vrijgekochten en derhalve vrijgemaakten zijn in de gevangenis gezet. In de binnenste kerker, hun voeten in de stok. Erger kan het niet zouden we zeggen. Nu ja, het viel nog wel mee, want men had hen dood kunnen geselen. Dat zou voor die beide mannen niet anders dan winst geweest zijn, hoe smartelijk dan het lijden ook zou geweest zijn. Wat hadden die twee dan wel voor misdadigs gedaan? O zij hadden Christus gepredikt en de noodzakelijkheid der waarachtige bekering; dat dit een uitsluitend werk Gods is. Daarom worden ze gegrepen en in de gevangenis geworpen. Ze hadden gemeenschap aan het lijden Christi. Ik vermoed dat de eerste tijd niet meegevallen zal zijn. Althans we lezen dat ze omtrent middernacht begonnen te zingen. Wat ze dan wel vóór middernacht gedaan zullen hebben? Het staat er niet bij, maar het is toch wel opvallend dat ze pas te middernacht aan het zingen zijn gezet. Wie zal zeggen hoe hun ziel zal gefolterd zijn. Was dat nu de weg die God met Zijn kinderen en knechten houdt? Ze waren toch geroepen en begenadigd? Ze waren toch geen eigen gekozen weg gegaan? En dan in de gevangenis? O, het eenvoudige woord is nog steeds waar; dat Gods weg is in de zee en Zijn pad in diepe wateren en Zijn voetstappen worden niet gekend. Zo is des Heeren leiding met Zijn volk. Hij werkt alle dingen tot Zijn eer en wrocht alle dingen om Zijns zelfs wil, ook de goddeloze tot de dag des kwaads. En nu gebeurt het wonder dat ontegenzeggelijk de Heere Zijn knechten daar licht over geeft. Ze vragen dan niet om maar vlug uit de gevangenis te worden verlost, maar ze mogen het met God eens worden, verstaande dat het allereerst gaat om de ere Gods en dan beginnen ze te zingen. Lofzangen te zingen. Het is toch wel een wonder, een onbegrijpelijk wonder. In de gevangenis met al de ellende daaraan verbonden en Gode lofzangen zingen. Ja zo doet God nu. Van welke aard de gevangenis ook moge zijn en in welke verdrukking of moeite Gods kinderen ook geleid worden, de Heere heeft ze op Zijn tijd doen ervaren dat Hij de God der oneindige vertroosting is. Denk aan David in de 42e Psalm, waar hij zingt: 'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen daar ik Hem verwacht. Zie dat is het wonder van genade.
Dat kunnen we niet maken, wel nadoen maar dan is het niet anders dan bedrog voor ons zelf en voor een ander. De gevangenen hoorden naar hen. Het is geen wonder ook, dat die mensen in de gevangenis met verwondering geluisterd hebben naar die twee wonderlijke mannen in de binnenste kerker. Hoe is dat in de wereld toch mogelijk om te zingen en nog wel lofzangen te zingen in de binnenste kerker. Ja, dat is inderdaad ook niet te begrijpen voor het natuurlijk verstand. Die andere gevangenen zullen wel heidenen geweest zijn, vreemd van redelijke godsdienst, maar al hebben wij van jongs aan geleefd onder de prediking van het evangelie, dan verstaan we dat evenmin zonder hartvernieuwende genade en zonder dadelijke genade. O mijn jonge vrienden zowel als de meer op leeftijd gekomenen, clat we dat geheim mochten kennen. Dat kan door het oog van de kraai niet worden ontdekt, en blijft voor de jonge hoogmoedige dieren verborgen. Dat de Heere Zich onzer ontferme en doe buigen onder Zijn souvereine eis. De Heere vraagt maar niet naar w r at goede bedoelingen, neen Hij vraagt Zijn beeld terug. We leven nog en het is nog niet te laat. We mochten metterdaad verwaardigd worden aan de troon der genade te leren bidden: O God, wees mij zondaar genadig.
Het is een uitermate bange tijd op alle terrein des levens. De oordelen Gods zijn op de aarde, en toch heeft de Heere Zijn kerk de belofte gegeven dat zo lang als de zon en de maan zijn zal, Zijn Naam van kind tot kind zal worden voortgeplant. Het geve Zijn volk lofzangen te zingen in de binnenste kerker opdat de gevangenen nog eens mochten luisteren naar dat wondere gezang van Gods gunstgenoten. Te midden van alle beroering geve Hij Zijn kinderen te roemen in de verdrukking naar des apostels woord. Laat smaden en lasteren wie lasteren wil, maar onze Koning is van Israëls God gegeven. Gegeven weet ge, niet een beredeneerde Jezus, maar een eerlijk gegeven Koning, opdat die ons blijke een Schutsheer en Behoeder te zijn, Die over en in ons heerschappij voere en doe buigen onder Zijn aanbiddellijke raad en Gods getuigenis. De Heere make Zijn Naam groot onder jong en oud tot roem Zijns Naams die heerlijk is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1952
Daniel | 8 Pagina's