Petrus Dathenus
(9.)
Verschillende malen heeft men geprobeerd Datheen weer met Oranje te verzoenen, doch al deze pogingen zijn op een mislukking uitgelopen. De Synode der Vlaamse kerken in 1579, alsmede de Middelburgse synode van 1581 hebben verzoeningspogingen aangewend, doch beide zonder gunstig resultaat en de verwijdering tussen deze twee grote mannen bleef bestaan.
In September 1584 viel Gent, zo lange tijd één der bolwerken van het Protestantisme in Vlaanderen geweest, in Spaanse handen. Velen verlieten nu Vlaanderen en trokken naar de Noordelijke Nederlanden. Ook Datheen verliet Gent, begaf zich naar Sluis en vandaar naar Middelburg. Doch reeds de volgende dag ontving hij bevel, dat hij de stad zo spoedig mogelijk moest verlaten, omdat de bevolking niet op zijn aanwezigheid was gesteld. Inderdaad heeft hij Middelburg spoedig vei'Iaten, want enkele dagen later trad hij buiten Gouda voor een grote schare op. Met klem drong hij er op aan om zich toch vooral te verzetten tegen de plannen der Staten. De Staten toch hadden het voornemen, om
zich met Frankrijk samen, te verzetten tegen Spanje en volgens de overtuiging van Datheen zou dit uitlopen op de ondergang van het Calvinisme. Reeds twee dagen later zonden de Staten van Holland aan alle steden van het gewest een schrijven, dat men aan geen der predikanten uit Vlaanderen gekomen, een kerkelijke betrekking mocht opdragen of toestemming mocht verlenen om te preken, zonder goedkeuring der Staten.
Niettegenstaande deze vermaning, trad Datheen toch in verschillende steden van Holland op, om te waarschuwen tegen het steun zoeken bij Frankrijk. Hierover was Prins Maurits zo verstoord, dat hij, in overleg met de Staten, aan de verschillende provinciën een verzoek richtte om Datheen, zo deze zich in één harer steden mocht ophouden, onverwijld en onder goede bewaking naar 's-Gravenhage te willen overbrengen. Datheen begrijpt wel, dat het nu tijd wordt om zich in veiligheid te stellen. Direct begeeft hij zich naar Vianen, in de hoop bij Amelia van Nieuwenaar, weduwe van de keurvorst van de Paltz, een toevluchtsoord te vinden. De kapitein van het garnizoen te Vianen heeft toen getracht hem te arresteren. Zeer verontwaardigd heeft Datheen toen aan de kapitein gevraagd, vanwaar hij zijn opdracht had hem te arresteren. Het antwoord van de kapitein is, dat hij opdracht heeft om de vijanden van het vaderland te mogen vangen, om die naar verdienste te doen straffen.
Onmiddellijk vraagt Datheen naar bewijzen, dat hij inderdaad een vijand van het vaderland is. Hierop kan de kapitein niet anders antwoorden, dan dat hij veel kwade geruchten van hem vernomen heeft.
Datheen verklaart, dat hij bereid is Voor de rechter te verschijnen, mits er beschuldigers zijn, maar dat men iemand, alleen op grond van geruchten niet mag arresteren. Daarop heeft de kapitein hem verlaten en bleef Datheen nog twee dagen de gast van Amelia. Beschuldigers kwamen niet opdagen, zodat hij de derde dag overvoer naar Vreeswijk, met het doel zich naar Gouda te begeven.
Zodra de kapitein van Vianen dit vernomen had, zond hij enkele soldaten naar Vreeswijk om Datheen gevangen te nemen en terug te voeren naar Vianen. De kapitein was echter buiten zijn bevoegdheid gegaan, want Vreeswijk behoorde niet tot zijn gebied. Spoedig verschenen er gedeputeerden uit Utrecht te Vianen, die de uitlevering van Datheen eisten.
Veel woorden zijn hier over gewisseld, maar het slot was, dat Datheen, na nog 14 dagen te Vianen vertoefd te hebben, naar Utrecht werd gevoerd, waar hij op „Hazenberg", de stadsgevangenis, in verzekerde bewaring werd gesteld. Welk een onrechtvaardige behandeling! En dat zonder enige vorm van proces. Hij werd behandeld als een gewoon misdadiger en moest zelfs met de andere gevangenen aan één tafel zitten. Het enige dat hij vóór had boven de andere gevangenen was, dat hij zich vrij van de ene kamer naar de ander mocht begeven. Zijn verzoek om onder borgstelling in een particulier huis van een der burgers te mogen vertoeven, was zelfs afgewezen.
Geduldig moet hij afwachten, welke beschuldigingen tegen hem zouden worden ingebracht en wat dan de uitspraak van de rechters zou zijn. Doch de beschuldigingen kwamen niet, zodat hem tenslotte een lijst met 81 vragen werd voorgelegd. Op deze vragen is door Datheen een uitvoerig antwoord gegeven, 't Gevolg was dat Datheen de gevangenis mocht verlaten en onder borgstelling in een particuliere woning te Utrecht mocht vertoeven. Niet minder dan 40 dagen had hij in de gevangenis verkeerd. Veertien dagen later werd hij in volkomen vrijheid gesteld. Via Amsterdam begaf hij zich nu naar Sleeswijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1952
Daniel | 8 Pagina's