Baal Mode
Ik ween, o God, wanneer mijn ogen staren op Uw gebod. Ik ween, o God, omdat men Uw Gebod laat varen. In 't hart ontwaar1 ik wilde baren; 't Gaat alles uit naar zingenot.
Hoe treurt mijn ziel; wat bilt're nare smarten vol droefenis! Hoe treurt mijn ziel, wijl 'f beeld der aard' is 't beeld der harten: 't Is anders niet, dan Gode tarten. En Satan roept in wellust: „Kniel —
Ja kniel, o mens, voor modè's zinneloosheid als voor Uw God. Ja kniel, o mens en buig u voor haar zedeloosheid. Want daartoe schiep ik al die boosheid. Ik richt mij naar uws harten wens."
Och, Heere God, de zeventig maal honderd door U gekend! Och, He erf? God, ai, Uwen zij nog afgezonderd, of wordt ook daar die God bewonderd? Och, help ons in ons droevig lot.
Ik ween, o God, want Satan heeft ons harte tot bondgenoot. Ik ween, o God — Sla. Heere, op, verlicht de smarte Vernieuw dit harde boze harte, o\)dat ik leev' naar Uw gebod.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1952
Daniel | 12 Pagina's