VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan; I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid J
J. O. te V. schrijft mij het volgende:
In Ex. 21 wordt gesproken over de rechten tussen meester en knecht. Hieruit heb ik dit begrepen:
le Indien de knecht gehuwd was, toen hij in dienstbetrekking kwam en hij na zes jaren weer in vrijheid ging, mocht zijn vrouw mee in vrijheid.
2e De knecht huwt met een vrouw, hem door zijn meester gegeven en nu blijven vrouw en eventuele kinderen, wanneer de man in vrijheid gaat het eigendom van de heer.
In het tweede geval wordt dus het huwelijk verbroken. Is dat niet in strijd met het gebodt Gods: „Gij zult niet echtbreken!"
Antwoord: 't Is mij niet gemakkelijk daar een antwoord op te geven.
De meeste commentaren zwijgen er over en die er nog iets* van zeggen bevredigen mij niet.
Deze vraag in de prullemand deponeren wilde ik ook niet. Ik zal proberen er iets van te zeggen.
Het huwelijk heeft God ingesteld in het Paradijs en na de val heeft de Heere het huwelijk als een schone bloem de mens meegegeven. Het is dus scheppingsordinantie en in wezen onontbindbaar.
Het huwelijk is een vereniging tussen één man en één vrouw. Van deze oorspronkelijke regel werd spoedig afgeweken. Die afwijking vindt ge eerst in de onheilige linie, waar 'de Kaïniet Lamech twee vrouwen nam, maar later vindt ge dat ook bij de aartsvaders, met uitzondering van Izaak.
Ik dacht bij deze vraag aan Abraham, die hoewel getrouwd met Sara, straks zijn dienstmaagd Hagar trouwt. Het eerste huwelijk werd wel niet verbroken, maar Abraham ontving uit Hagar toch zijn eerste zoon. Als Ismaël 14 jaar is moet Hagar als dienstbare de tent uit en op bevel Gods, Die boven de wet staat, wordt het tweede huwelijk ontbonden.
Moeten we het misschien in deze richting zoeken? Is hier sprake van een toelating zoals de Heere Jezus gezegd heeft: „Mozes heeft van wege de hardigheid uws harten toegelaten enz., maar van den beginne is het alzo niet geweest? "
Er zijn nog andere mogelijkheden. Hoewel de vrouw en de kinderen het eigendom van de heer bleven en de man in vrijheid ging, betekende dit nu, dat het huwelijk verbroken werd? Kan het nu niet, dat de vrije, man en de in dienstbaarheid levende vrouw toch door de huwelijksband verbonden bleven? 't Is slechts een vraag.
Ook is er een volgende mogelijkheid, dat de heer de dienstbare (volgens de Statenvertalers een uitlandse, dus geen Israëlitische) de dienstknecht heeft opgelegd m.a.w. dat het niet de vrije wil was van de knecht, maar dat dit een gedwongen zaak was.
Indien dit waar is, en enkele verklaarders gaan in die richting (zoals Ronkel) dan zou er van' een wezen-
DE ORGELACTIE ?
Eindelijk schrijf ik nu nog neer, de verklaring van de grote Matth. Henry.
„Vermits de huwelijken met Heidense vrouwen voor God een gruwel waren Neh. 13 : 24 en 25 zo is het niet onwaarschijnlijk, dat God deze wet gegeven heeft om Zijn volk des te meer van zulke huwelijken terug te houden. Ook zijn er uitleggers, die als een rechtvaardig oordeel aanmerken, dat God zulke echtscheidingen als in deze wet staan uitgedrukt, toegelaten heeft, daar het nochtans zeker is, dat de echt onverbrekelijk is en de echtscheiding tegen de eerste instelling des huwelijks strijdt. Gen. 2 : 24. i
Mogelijk dat men dit wel zal mogen tellen onder de zaken, die God de Joden vanwege de hardheid des harten heeft toegelaten. Matth. 19 : 8.
Het schijnt wijders, dat van huwelijken met ongelovigen aangegaan geoordeeld werd alsof het geen huwelijken waren en dat de kinderen daaruit geboren, gehouden worden voor zulken, die wij bastaarden noemen, welke geen leden van een wettig huisgezin uitmaakten en vervolgens met hun moeders mochten verlaten worden Ezra 9 : 2 en 10 : 2."
G. S. te L. vraagt of de haas en het konijn herkauwende dieren zijn, omdat er in Deut. 14 : 7 staat: Maar deze zult gij niet eten van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die de gekloofde klauw alleen verdelen: e kemel, de haas en het konijn, want deze herkauwen wel, maar zij verdelen de klauwen niet; onrein zulien. zij ulieder zijn."
Antwoord: e haas en het konijn zijn geen herkauwers. Zij worden gerekend tot de knaagdieren. Maar hoe moet ik dan Deut. 14 verstaan? Heeft de Heere Zich dan vergist? Hoe kan de Schepper van hemel en aarde, maar ook de Schepper van mens, dier en plant Zich nu vergissen? Dat te denken is goddeloos. Neen de zaak is anders. Wat wij een haas en konijn noemen, is nog niet de haas en het konijn uit Deut. 14. De oplossing kunt U vinden bij de kanttekenaren van onze Statenbijbel, maar dan moet U niet zoeken bij Deut. 14, maar bij Lev. 11 : 5 en daar kunt U' het volgende lezen: Anders, bergmuis of beermuis. Een viervoetig gedierte van de grootte als een 1 egel en van gestalte als een muis en beer, wonende in de holen der steenrotsen; zeer veel gevonden in Palestina." Dit was een herkauwend dier.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1952
Daniel | 12 Pagina's