JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

III. De Deugden Gods (g.)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

III. De Deugden Gods (g.)

Gods onveranderlijkheid.

7 minuten leestijd

Een vijfde of laatste onmededeelbare eigenschap Gods is die van Zijn onveranderlijkheid. Hierin onderscheidt Hij Zich weer van al het geschapene. Verandering en vooruitgang, wisseling en groei is immers slechts mogelijk in de tijd en in het tijdelijke. Als opperste Oorzaak van alle verandering kan God zelf aan geen verandering onderhevig zijn. Hij kan niet anders worden dan Hij van eeuwigheid reeds is. Hij wordt niet volmaakter, want Hij is allervolmaakst; Hij wordt niet meerder en niet minder; Hij wordt ook niet minder volmaakt, want de mogelijkheid om dit te kunnen worden, zou op zichzelf al een onvolmaaktheid zijn. Nimmer heeft God dus naar Zijn Wezen enige verandering te duchten. Hij is en blijft de onveranderlijke God, niet alleen in Zijn Wezen, maar ook in Zijn kennis. Die kennis is voor geen verandering vatbaar. Zij kan niet toenemen, noch afnemen. God leert niets aan en Hij verleert niets. Hij wordt niets gewaar, wat Hij niet al wist, want Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend, volgens Hand. 15 : i8.

Eveneens zijn Gods wil en raadsbesluiten onveranderlijk. Wanneer de Pelagianen, Remonstranten en alle overige drijvers van „de vrijewil des mensen" gelijk hadden, dan zou God wel elk uur van de dag kunnen veranderen, volgens de veranderingen van de wil des mensen. Dit is echter niet mogelijk. Zijn voorwetenschap, wijsheid en almacht maken het onmogelijk, dat er bij God van enige verandering sprake zou kunnen zijn. De Heilige Schrift spreekt ten aanzien van Gods wil en raadsbesluiten over de onveranderlijkheid Gods een duidelijke taal. Luister slechts naar de profeet Maleachi, als hij zegt in 's Heeren naam: Ik, de Heere, word niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd." (Mal. 3 : 6). En Mozes, de man Gods, zegt in Numeri 23 : 19: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou! Zou Hij het zeggen en niet doen? Of spreken en niet bestendig maken? " Waaruit ook weer volgt, dat Gods woorden, hetzij beloften, hetzij bedreigingen, eeuwig onveranderlijk zijn. -

Toch schijnt het soms, bij oppervlakkig lezen van Gods Woord, dat er bij de Heere wél verandering mogelijk zou zijn. Immers, de Heilige Schrift spreekt meermalen van een „berouw God s".

Iri Gen. 6 : 6 en 7 lezen we: Toen berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan Zijn hart. En de Heere zeide: k zal de mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van de aardbodem, van de mens, tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe: ant het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb". En in Jer. 26 : 13: Nu dan maakt uwe wegen en uwe handelingen goed en gehoorzaamt de stem des Heeren uws Gods: o zal het de Heere berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft." En in Jona 3 : 9 en 10: Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen! En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen en Hij deed het n i e t." En ook bij andere gelegenheden, bijv. de ziekte van koning Hiskia, wordt het voorgesteld, alsof God eerst voornemens was hem te doen sterven, maar daarna van plan veranderde en hem nog 15 jaren in het leven liet. En als er later gesproken wordt, dat de Heere Zich door Manasse liet verbidden komt zo gemakkelijk de gedachte aan verandering bij God naar voren.

Niettemin is dit alles geen verandering in Gods Wezen of in Zijn wil of in Zijn heilig voornemen of besluit, doch slechts een verandering bij de mensen. De grond van Gods berouw ligt in het schepsel, in de tegenstrijdige handelingen van de mens. Bij God komt niets onvoorzien of onverwacht. Maar Zijn verhouding jegens de mens wordt een andere. Gods berouw geeft clan te kennen een verandering in Zijn werk, in Zijn doen, doch niet in Zijn wil of Wezen.

Daarom is de uitdrukking van „berouw bij God" een menselijke voorstelling van Gods doen met de mens. Zondigt de mens, het raakt God in Zijn hart, het beledigt, het vertoornt Hem. Hij is niet onverschillig bij de ondergang van de eerste wereld, die zichzelf verderft. Hij heeft er smart van. Het verdorven schepsel, dat niet waard is, dat het leeft, wordt nu door Hem verdelgd door de zondvloed. De mens was anders geworden, waarom hij dan ook anders behandeld werd.

Bij een wandelen in de vreze van Zijn naam vervult God Zijn heerlijke beloften, maar bij ongehoorzaamheid

aan Zijn wetten en inzettingen, komt Hij met kastijding en tuchtiging. Dat alles is geen verandering in God, maar een wijziging van Gods handelingen met de mensen, die zijzelven nodig maken door hun afwijking.

Zo wist God ook vooraf, dat de Ninevieten zich op Jona's prediking zouden bekeren en aldus het gedreigde oordeel zouden ontgaan. Hoewel Jona hun weinig hoop gegeven had, nochtans bekeerden zij zich, al was het slechts uitwendig en God spaarde de stad Ninevé, vol-

gens Zijn eigen voornemen. Wordt op andere plaatsen in de Heilige Schrift het berouw van God uitdrukkelijk ontkend, zo is dit geenszins in tegenspraak met genoemde voorbeelden. Hiermede verklaart de Schrift juist zichzelf! Bij God is Zijn berouw een heilige reactie tegen de zonde, of ook een verandering van Zijn handelingen ten gevolge van de veranderde gezindheid des mensen, hoewel Hij in Zichzelf onveranderlijk blijft. Een prachtig voorbeeld om het hier gestelde te verduidelijken vinden we in 1 Sam. 15. In dit hoofdstuk lezen we tot tweemaal toe, dat „het de Heere berouwde, dat Hij Saul tot koning gemaakt had", n.1. in vs. 11 en vs. 35. Tevens lezen we in vs. 29: „Ook liegt Hij, die de overwinning Israëls is, niet, en het berouwt Hem niet: want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou."

dat Hem iets berouwen zou." „Het berouwde God, dat Hij Saul tot koning gemaakt had" wil dus niet zeggen, dat God zou hebben ingezien, er verkeerd aan te hebben gedaan met Saul op de troon te verheffen, maar drukt Zijn droefheid uit over Saul's gedrag, Zijn afkeer van de zonde, waardoor Saul zich het koningschap onwaardig had gemaakt. In dit berouw schrijft God Zichzelf menselijke gevoelens en gewaarwordingen toe, omdat Hij geen dode, maar een levende, persoonlijke God is. Daarentegen spreekt Samuël in vs. 29 met het woord „berouwen" over de onveranderlijkheid van het Goddelijke Wezen, dat boven al het menselijke verheven is.

In de mens zelf is nog een tweeërlei berouw te noemen. We zouden het kunnen aanduiden met de woorden: pijt en berouw. Het eerste wordt dikv/ijls ten onrechte berouw genoemd. Het vreest slechts voor de gevolgen der zonde, maar betreurt niet de zonde zelf als zonde. We zien zulk berouw of spiit bij Saul na zijn verwerping, bij Achab en Judas. Het ware berouw wordt volgens de Schrift bij de natuurlijke mens niet gevonden. Dat is een vrucht van het nieuwe leven, dat door de wedergeboorte in het hart wordt geplant. Dan horen we Job uitroepen: Met het gehoor des oorS heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij en ik heb berouw in stof en as." (Job 42 : 5, 6). En Jeremia voert Efraïm sprekende in, die zegt: Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw 1 gehad". (Jer. 31 : 19). Dit berouw wijst op een leedwezen over de zonde. Zulk een berouw zien we bij een David in Psalm 32 en 51, een Hiskia en een Petrus en zovele Bijbelheiligen meer. Mocht het ook ons deel worden bij aan-en voortgang! Dan wordt Davids bede de onze:

Ai, was mij wel van ongerechtigheid: ij n schuld is zwaar, i k heb Uw wet geschonden; Zie, mijn b e r o u w, hoor, hoe een boet'ling pleit, En reinig m ij van al m ij n vuile zonden. (Psalm 51 : 1, ber.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1952

Daniel | 8 Pagina's

III. De Deugden Gods (g.)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1952

Daniel | 8 Pagina's