EEN BEKEERDE JOOD
Grepen uit de Letterkunde (58)
Isaac de Costa (1708—1860)
De 14de Januari 1798 werd in Amsterdam geboren Isaac da Costa, zoon van Daniël da Costa en Rebecca Ricardo. Aan de namen van de ouders en het kind kunnen we al merken, dat die personen van Joodse afkomst waren. Daniël was een Portugees-Israëlitische aristocraat, die ons getekend wordt als een aartsvijand van de Franse revolutiegeest, werkzaam, onbuigbaar, standvastig. Rebecca was een vrouw van nauwgezette zeden en teder gehecht aan haar enig kind.
Isaac was een buitengewoon vlugge knaap, die op achtjarige leeftijd de Latijnse school bezocht en op zijn 15de jaar naar het Athenaeum Illustre ging. De Joodse leraar in 't Hebreeuws, Lemans, bracht hem in aanraking met Bilderdijk. Lemans liet Bilderdijk Isaac's eerste gedicht lezen, getiteld: „Lof der Dichtkunst", dat voorgedragen was op een vergadering van een Joods letterkundig gezelschap. Bilderdijk vond er wel „iets goeds" in. Van dit ogenblik hadden die twee, Bilderdijk (toen al achter in de vijftig) en de vijftienjarige knaap elkaar gevonden.
Omdat de jonge Da. Costa naar de Leidse academie moest, kreeg hij privaatles van Bilderdijk. In 1816 werd Isaac ingeschreven als Leids student in de rechten en letteren. Het jaar daarop volgde Bilderdijk zijn pupil en zodoende vonden die twee elkaar weer, nu in de Sleutelstad. Daar waren ze onafscheidelijk verbonden. Bilderdijk hield er privaatcolleges in de vaderlandse geschiedenis en Da Costa was één der ijverigste luisteraars 1 ).
Op 20-jarige leeftijd werd Isaac doctor in de rechten; drie jaar later dr in de Wijsbegeerte en Letteren. Na dit behaalde succes trad hij in Juli 1821 in het huwelijk met zijn nicht Anna Belmonte, die ook van Joodse afkomst was. Het jeugdige paar ging inwonen bij de oude heer Da Costa, die het volgende jaar overleed.
De 20ste October 1822 was het een plechtige ure in de Pieterskerk te Leiden. Ds Lucas Egeling bediende niet alleen het Woord, maar ook het Sacrament van de Heilige Doop. En het was een Doop aan bejaarde personen. Het waren Isaac da Costa, Anna Belmonte (Da Costa's vrouw) en Abraham Capadose (Da Costa's enige speelmakker uit zijn jeugdjaren).
Welk een ommekeer! Die was echter niet maar zo ineens gekomen. Tijdens de eerste omgang met Bilderdijk was hij wel gebracht tot de verstandsovertuiging van de historische waarheid van het Oude Testament, maar met zulk een vaagheid kon hij geen vrede hebben.
Hij beschrijft zijn zielstoestand in die dagen als volgt: „Het was die chaos van verwarring tussen jeugdig opbruisende driften en verlangen naar de kennis, naar een geheiligd dienen van God; de trek naar aardse ijdelheden van roem en hoogheid —-en het besef dat er in dat alles niet wezenlijks was voor het hart en voor de eeuwigheid.
Tegelijk was in mijn ziel een besluit genomen, om eenmaal in de maatschappij gevestigd, mij aan de allerstrikste waarneming aller Joodse inzettingen te binden; en ook daarvan besefte ik tevens het ledige en onvoldoende."
Door een woord van Bilderdijk, die helemaal geen opzettelijke pogingen aanwendde om hem christen te maken, werd hij plotseling gebracht tot de erkenning van de eenheid Gods in het Oude Testament; van het verborgen stuk der Drieëenheid.
Hij schrijft: „Ik vond die hoogste aller verborgenheden dan ook weldra zelfs in de getuigenissen der oudste Rabbijnen zowel als in alles, dat in die dagen uit Schepping, Geschiedenis en zelfbeschouwing tot mijn ziel sprak, op het klaarst en ondubbelzinnigst terug."
En Dr Bijvanck getuigt: „Had hij, naar zijn overtuiging van vroeger, de staat van zonde met de gehele mensheid gedeeld, nu klaagde hem zijn geweten aan, persoonlijk, innerlijk. De vraag: „Mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten? " veranderde in de bede: „Mijn God, verlaat mij niet!" En eensklaps kwam tot zijn hart het bewustzijn, dat God hem niet verlaten had."
Later gebeurde het „op één ogenblik (het was het tijdstip mijner diepste verwikkeling in de weg, die ten afgrond voert) ging er een licht op in het diepst mijns bestaans; en ik bevond mij gelovende, dat Jezus de Nazarener de Koning van Israël, de Zaligmaker der wereld was. In dat geloof werd ik bevestigd door onderscheidene menselijke schriften. Vooral las ik van nu aan vrijmoedig en aanhoudend de boeken — zelve des Nieuwen Testaments, en ik ontving in mijn hart het krachtige getuigenis, dat ook deze het Woord van God waren. Ik mocht tot Dengene, die van dat Woord het Begin en het Einde is, uitroepen:
Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,
mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God,
mijn Onheilverwinnaar, mijn Levensbezieler!
gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot."
Nu wordt Da Costa de vurige, hartstochtelijke zanger, vervuld van krijgsmoed, voorstander van het Oranjehuis en afkerig van de revolutie. Hij zal luid uitzingen de glorie van zijn Koning, en scherp zal hij striemen de tijdgeest in zijn land.
„Mijn hart springt op en wil zijn boei ontglippen,
en golven met uw hymnen hemelwaart.
De kou der koorts bevangt mijn bleke lippen,
rondom mijn hart is 't brandend bloed vergaard."
INDEX.
1) Zie „Daniël", 6e Jaargang, blz. 211.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1952
Daniel | 8 Pagina's