JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ONTGOOCHELD EN GELATEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONTGOOCHELD EN GELATEN

4 minuten leestijd

J. C. BT.OEM (geb. 1887)

In zijn gedichten bezingt Bloem een liefde, die geen doel weet; een oneindig verlangen, dat alleen maar hulpeloos en bedroefd weet uit te staren. Bloems verlangen blijft onvervuld en het leven van de dichter brengt teleurstelling na teleurstelling. Het verlangen blijft wel bestaan, maar er klinkt een melancholieke stem in door:

„In den trein. De tijd vergaat met droomen. Op de ruitjes wiegelt avondrood. Als ik bij U ben gekomen, Ben ik weer wat nader bij mijn dood.

Maar daar zal ik neder zijn gezeten In verzadigdheid en lampenschijn. Alles zal ik zijn vergeten Dan dit enige: bij U te zijn."

Als de dichter op een regenachtige morgen in de Dapperstraat te Amsterdam uit het raam kijkt, en hij ziet de wolken voorbij trekken, dan vindt hij dèt al schoon. Hij is heus niet veeleisend. Dan schrijft hij op:

„Natuur is voor tevredenen of leegen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bosch, ter grootte van een krant, Een heuvel met wat villatjes ertegen. Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, De in kaden vastgeklonken waterkant, De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen. Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Het leven houdt zijn wonderen verborgen Tot het ze, opeens, toont in hun hoogen staat. Dit heb ik bij mijzelven overdacht, Verregend, op een miezerigen morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat."

In dit sonnet horen we al een stem van berusting: „Alles is veel voor wie niet veel verwacht." Men zou zeggen: hoe kan nu iemand in een goede stemming geraken (domweg gelukkig) op een miezerigen morgen? Er zijn nü nog mensen, in deze jachtende tijd, die voor een bouwwerk van grootse stijl een kwartier aandachtig kunnen staan kijken en dan tenslotte zeggen: „het wordt, al maar mooier." (Dit is historisch: vóór het stadhuis te Middelburg enkele weken geleden zei een landbouwer dat).

Bij het ouder-worden komt bij Bloem de ontgoocheling. Eerst was het:

„Gij waart een kind, dat nachten wakker lag, Een knaap, die ziek ging aan zijn eerste dromen, Een jongeling, wiens drang 't was: elke dag Gloeien als vuur en als wild water stromen."

Zo is de jeugd en de jongelingschap. Er is een drang om alles te willen en te kunnen. Niets staat in de weg. Het is het bruisende leven, dat uitweg moet zoeken. Maar later is het:

„En nu? Een man staart zonder woord en zucht naar 't hooploos uitzicht van zijn laat're dagen: Een kersen zon, die smelt — een naiaarsvlucht — Een middagzee, die in de mist vervagen."

Het uitzicht is dus hooploos voor de dichter. Dat is heel erg. En toch is het goed verklaarbaar. Het tijdelijk leven kan niet anders dan teleurstellen. Op aarde is het volmaakte niet te vinden. Er zal een bHjvend Goed gevonden moeten worden. Het leven vliegt voorbij als een droom. Onwillekeurig denk ik hier aan Jan Luyken (1649—1712), die schreef:

„Droom is 't leven, anders niet; 't Glijdt voorbij, gelijk een vliet, Die langs steile boorden schiet, Zonder ooit te keren. d' Arme mens vergaapt zrjn tijd Aan het schoon der ijdelheid, Maar de schaduw, die, hem vleit, Droevig', wie kan 't weren? d' Oude grijze, bliift een kind, Altijd slaaprig, altijd blind; Dag en ure, Waard, en dure, Wordt verguicheld in de wind, Daarmee glijdt het leven heen, 't Huis van vel en vlees en been, Slaat aan 't kraken, d' Ogen waken, Met de dood in duisterheen."

Het valt niet mee voor de dichter, om het leven te zien vervagen in de. mist. Toch is de teleurstelling niet zo groot, als we zouden verwachten. Gelaten legt de man er zich bij neer. Deze regel spreekt de kerngedachte van de gelatenheid uit: , , 't had zoveel erger kunnen zijn." Hier komt het gedicht:

De gelatene.

„Ik open 't raam en laat het najaar binnen, Het onuitsprekelijke, het van weleer En van altijd. Als ik één ding begeer Is het: dit tot het laatste te beminnen. Er was in 't leven niet heel veel te winnen. Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer, Als men zich op het wereldoude zeer Van de milliarden voor ons gaat bezinnen. Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd Hunkren naar onverganklijke beminden, En eenzaamheid is dan gemis en pijn. Dat is voorbij, zoals het leven haast. Maar in alleen zijn is nu rust te vinden, En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn."

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1952

Daniel | 7 Pagina's

ONTGOOCHELD EN GELATEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1952

Daniel | 7 Pagina's