JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Herder en schapen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herder en schapen

5 minuten leestijd

1. De herder, (vervolg.)

Besloten we het vorige artikel met een bespreking van de wapens van de herder, nl. stok, staf en slinger, thans zullen we zien, dat deze wapens geen overbodige luxe, maar harde noodzaak zijn. Er is in deze artikelenreeks al zo dikwijls op gewezen, dat men onze Westerse toestanden niet moet vergelijken met de Oosterse. Onze herders, die vroeger met hun kudden over de Drentse heide zwierven, hadden een rustig leven, maar in het Oosten was de herder en zijn kudde steeds omringd door talrijke gevaren. Overal loerde de dood rond. Om te beginnen de „weide." Dit is een eenzame, heuvelachtige steppe of woestijn. Om op de weideplaatsen te komen, moet de herder nauwkeurig het landschap kermen, om niet te verdwalen, zoals dat in woestijnen zo licht mogelijk is. Bovendien dreigt het gevaar, dat de schapen op de steile berghellingen zullen uitglijden en neerstorten in de diepte. Daarom gaat de herder voorop en leidt zijn kudde op rechte paden. „Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil." (Ps. 23 : 3). Zo leidt de Heere Zijn volk langs rechte paden naar het doel, dat van eeuwigheid voor hen is vastgesteld.

Eenmaal veilig in de weidegebieden aangekomen, kan de herder zijn gemak er nog niet van nemen. Dat kan hij eigenlijk nooit. Immers in die eenzame steppen en woestijnen dreigen de gevaren van rovers, die zich gemakkelijk kunnen verschuilen in allerlei schuilhoeken en holen. En omdat het er zo eenzaam is, hoeft de herder niet op hulp te rekenen, zodat hij bij een eventuele aanval voor zich zelf en voor zijn kudde heeft te vechten. Dan komen zijn wapens hem uitnemend te pas. Gelukkig de herder, die dan met David kan zeggen: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken." (Ps. 23 : 1) „God stelt zich in de H. Schrift aan ons vaak voor onder de naam en de figuren van de herder. Dat is een bijzonder teken van Zijn tedere liefde. Daarom moest men er zich over verwonderen, dat een zo strelende en vriendelijke uitnodiging ons niet tot de Heere brengt, opdat wij vreedzaam onder Zijn bescherming rusten." (Calvijn.)

Niettegenstaande de goede zorgen van de herder kan het toch gebeuren, dat hij 's-avonds bij de thuiskomst één van zijn schapen mist. Hij gaat er dan ondanks zijn moeheid op uit, om het verlorene te zoeken, een gevaarlijk en moeilijk werk, want hoogst waarschijnlijk is het dier tussen de rotsen in de ravijnen verdwaald en daar huist ook het wild gedierte. Bovendien is het er zeer donker, omdat de rotswanden vaak overhellen. Daardoor heerst hier zelfs een groot deel van de dag duisternis, want het zonlicht kan er alleen binnenvallen wanneer de zon hoog aan de hemel staat. Hyena's, de doodsvijanden van de kudde, huizen hier en het sidderende schaap wordt hier hun prooi als de herder het niet tijdig vindt. „Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij." (Ps. 23 : 4.) Groot is de blijdschap van de herder, als hij het doodmoede beest gevonden heeft en vol vreugde op zijn armen of op zijn schouders naar de stal draagt. „Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen en verlaat de schapen en vliedt; en de wolf grijpt ze en verstrooit de

schapen. En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is en heeft geen zorg voor de schapen. Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend." (Joh. 10 : 11—14.)

Behalve deze gevaren zijn er de wil< 7t? dieren.

Behalve deze gevaren zijn er de wil< 7t? dieren. Tot vlak bij Jeruzalem hoorde men het geiank der hyena's en de kreten der jakhalzen. Hiervan zijn de jakhalzen door de Arabieren het meest gehaat, omdat hij tegelijk opdringerig en laf is. 's Avonds gaat hij veelal op jacht uit, maar niet alleen, doch met een aantal soortgenoten, 's Nachts omringen ze dan in gesloten verband de dorpen en de schaapskooien en wee het schaap, dat van de kudde is afgedwaald en niet tijdig in de stal is teruggevoerd. Zelfs de ingewanden betwisten ze elkaar, maar zo gauw er een mens, hyena's of wolven het toneel betreden, trekken ze zich terug en vormen al huilend een kring er om heen.

vormen al huilend een kring er om heen. Andere gevaarlijke roofdieren zijn Syrische beer en luipaard en vroeger de leeuw, die thans in Palestina niet meer voor komt. Vroeger echter wel. Denk slechts aan de geschiedenis van Simson. „Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet." (Richt. 14 ; 5.) Hij was zelfs vroeger de schrik

van gans Israël. Wolven komen zowel vroeger als thans nog voor. Tegen al deze dieren behoorde de herder goed gewapend te zijn.

Kleinere, maar daarom voor de schapen niet minder gevaarlijke dieren zijn bv. de gehoornde adtler. Dit dier verbergt zich terzijde van het pad en wie er voorbijkomt, hetzij mens of dier, wordt aangevallen en zijn beet is zo giftig, dat de dood binnen een half uur intreedt, zelfs voor een paard. De verraderlijke stam van Dan wordt door Jakob bij deze slang vergeleken: Dan zal een slang zijn aan de weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle." (Gen. 49 : 17.)

En tenslotte schorpioenen en roofvogels, bv. de gier, die plotseling naar beneden schiet en het lam met zijn vreselijke klauwen beet pakt. Dan moet de herder er bij zijn en met zijn leven het beest verdedigen, waarbij de knuppel hem goed te pas komt.

Zij zullen u, Gods gunstgenoot, Naar 's Hoogsten welbehagen, Opdat gij aan geen steen u stoot, Op hunne handen dragen. Gij zult op jonge leeuwen treen, Op giftig' adders stappen, En, door gevaar noch vrees bestreen, De leeuw en draak vertrappen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1952

Daniel | 7 Pagina's

Herder en schapen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1952

Daniel | 7 Pagina's