Vaderlandse Geschiedenis
Dinsdag 10 Juli ging Gerards naar het Prinsenhof om een paspoort voor Frankrijk te vragen. De Prinses schrok hevig, toen zij de booswicht zag, maar de Prins stelde haar gerust en beval het paspoort gereed te maken.
Na de maaltijd naar de trap gaande, schoot de onverlaat vanuit een donkere hoek zijn wapen af. De Prins werd door 2 kogels in de horst dodelijk getroffen.
Men kent het gebed, dat hij stervend opzond: „Mon Dieu, mon Dieu, aie pitié de mon ême et de ce pauvre peuple."
Hoe innig verbonden moet hij met ons volk geweest zijn, dat hij in deze vreselijke ogenblikken de noden van dat volk aanbeval aan God.
's Prinsen zuster, de gravin van Schwarzburg, met de Prinses er bij staande, vroeg hem nog in het Duits, of hij zijn ziel aan Christus aanbeval, waarop hij nog zwak „ja" antwoordde. In de eetkamer gebracht zijnde, overleed hij spoedig.
Men vergete toch niet bij een bezoek aan het Prinsenr hof verschillende herinneringen in oogschouw te nemen.
Wij willen ook niet onvermeld laten hoe het de moordenaar verging. Van de verwarring gebruik willende maken om de gracht over te zwemmen, werd hg' door de hellebaardiers van de Prins gegrepen.
Het volk wilde hem lynchen.
De moordenaar legde een volledige bekentenis af. Hg' werd vreselijk gepijnigd eü daarna gevierendeeld. Onder de pijnigingen voelde hij zich zalig gesteld!!
De indruk. Overweldigend was de smart van velen na het verscheiden van vader Willem; groot de verontwaardiging tegen de moordenaar.
Maar veel vurige roomse landgenoten verblijdden zich! Zij zagen in de onverlaat geen misdadiger maar een martelaar.
Zgn hoofd wisten zij naar Keulen te smokkelen als een reliquie. Ja, er werd zelfs op heiligverklaring aangedrongen». Maar zover durfde de Curie toch niet te gaan.
Die zelfde dag weerklonk in de St. Jan van Den Bosch een plechtig Te Deum; maar 's avonds sloeg de bliksem in de kerk, waarbij de toren verbrandde.
Plechtig is de grotJe dode begraven in de Nieuwe Kerk te Delft. De lijkpredikatie was zeer groot: penb. 19 : 13. En enige jaren later hebben de Staten 's Lands een prachtige graftombe opgericht, waarop de volgende woorden zijn gebeiteld, die zo juist weergeven, hoe zijn verhouding tot ons was:
„God Almachtig ter ere en ter eeuwige gedachtenis van Willem van Nassau, Prins van Oranje, als een Vader des Vaderlands dewelke de dienst van de Nederlanden meer heeft geacht, als de welvaart en voorspoed van hem en de zijnen; de ware Religie, mitsgaders de Privilegiën van den Lande, wederom ingevoerd en in zijn oude staat heeft gebracht."
Dónkere vooruitzichten. De grote leider, vader Willem, was ter ruste gelegd en de vijand meende het gewonnen te hebben. Als wij nu, bij de dood des Prinsen, de rekening opmaken, dan lijkt het inderdaad zo en Parma zal zeer zeker geeni ogenblik getwijfeld hebben aan de goede afloop van zgn ondernemingen.
Prof. Blok geeft ons een indroef verhaal van de toestand op dit moment.
Vlaanderen was nu nagenoeg geheel in de macht van de vijand. Ook Yperen, Brugge en Gent raakten in Parma's macht op de volgende voorwaarden: uitsluitend handhaving van de roomse godsdienst, verlof tot vertrek van andersdenkenden met have en goed, behoud van de priviligiën, algemeen pardon.
Als men even nadenkt zal men in dit alles de grote geslepenheid van Parma zien.
Dathenus, die zoveel tegen de Prins geageerd had, verliet nu de stad en trok naar Utrecht, waar hij gevangen werd gezet. Een jaar later liet men hem weert vrij en daarna is hg naar Sleeswijk vertrokken.
Slechts enkele plaatsen zoals Ostende, Sluis en een paar vestingen aan de Schelde hadden staatse bezetting. Een hoe zag Vlaanderen er uit? Een woestenij was het geworden] door de herhaalde plunderingen en brandschattingen van rondtrekkende troepen: Spanjaarden en Fransen.
De bloei van enkele jaren geleden was verdwenen. Veel kooplieden en nijveren, hadden, het gewest verlaten en waren naar het Noorden getrokken.
In Brabant en Henegouwen) was het al even treurig: in 1585 moesten Brussel en Mechelen zich overgeven. Maar ook in het N. was het droef gesteld. Groningen was in de macht des vijands en van daar uit geschiedden nog altgd de invallen in de overige noordelijke gewesten. Was het wonder dat men moedeloos werd? En nu die slag de leider weg!
Van Duitsland, Engeland en Frankrijk, dat zag men wel was geen hulp te verwachten.
Antwerpen. Nog bg het leven des Prinsen begon Parma aanstalten te maken deze koopstad te vermeesteren. Hij ging, zoals hij zei, de bijl aan de wortel des booms leggen. Aan de overkant van de Schelde veroverde hij het land van Waes en langzaam maar zeker kon hij de stad insluiten.
De stad gold eigenlijk voor onneembaar. Nog bg zgn leven had de Prins aan Marnix (deze was er burgemeester) de goede raad gegeven een dijk door te steken, waardoor het zeewater voor Autwerpen's muren zou komen.
Zoals het in vorige jaren meer was gegaan, had men dit nagelaten om redenenj van eigen belang.
Juist op de dag van de moord veroverde Parma het staatse fort Liefkenshoek. Ook bouwde hij op de Kouwenstein (de dgk, die de stad bij doorsteking had kunnen redden) verscheidene schansen.
Eén geluk hadden de Antwerpenaars: de Schelde bleef nog open en zo kon de Zeeuwse vloot de stad van het? nodige voorzien.
Maar ook dit was spoedig uit. De bekwame veldheer legde dwars over de rivier een schipbrug, zwaar versterkt door forten en vlotter* en nog versterkt door 20 oorlogsschepen. De afsluiting was volkomen.
Inmiddels hadden veel kooplieden de wijk genomen: het werd hier al te onveilig. Sommigen trokken naar Holland en Zeeland, anderen naar Duitsland en Engeland en zo bloedde de handel van deze vermaarde handelsstad langzaam maar zeker dood.
Het lastig obstakel, die schipbrug weg te werken, werd nu het doel. De vernuftige Italiaan Gianibelli maakte twee branders gevuld met zeer brandbare en ontplofbare stoffen die met de ebstroom naar de brug moesten drijven en deze in de lucht doen vliegen.
Een der schepen; raakte vast maar het andere kwam bij de brug. De Spanjaarden, nergens op bedacht trachtten het gevaarlijke „vuurschip" van de brug af te houden. Een hevige ontploffing volgde en een groot gat werd in de brug geslagen. Maar ook lieten een 1000-tal soldaten en officieren van de vijand het leven.
Was nu de Geuzenadmiraal maar tgdig ter plaatse
geweest en niet zo onverstandig, dan had men van de verwarring, die ontstaan was, een goed gebruik kunnen maken.
Dit geschiedde niet. Ook burgemeester Marnix en zijn luitenant Hohenlo stelden zich vreemd aan. Menende dat alles gewonnen was, verlieten zij hun post en spoedden zich naar de stad, om het grote nieuws te melden, waarbij zij zich als dwazen aanstelden. Het is Marnix zeer kwalijk genomen.
Parma maakte van dit onverstand een goed gebruik. Hoewel zelf gewond, liet hij dadelijk het gat dichten. Ook om de kouwenstein werd gestreden en deze dijk na harde strijd doorgestoken: het water liep al over de velden.
Maar weer greep Parma in. Ziende het groot gevaar ging hij er zelf heen en streed als gewoon soldaat aan het hoofd van zijn mannen om de dijk.
Na driemaal teruggeslagen te zijn, wist hij zich te handhaven. De dijk was weer van hem!
Marnix verloor de moed. Hij raadde tot overgave, wat dan ook geschiedde. (1585.)
Ook hier paste Parma zijn taktiek van inschikkelijkheid en vergevingsgezindheid toe.
Gedurende 4 jaar zou niemand om des geloofs wille vervolgd worden; maar dan moest alles weer Rooms worden. De Protestanten mochten hun zaken te gelde maken en verhuizen. Duizenden verlieten de stad, onder welke ook Roomsen. Immers, de Geuzen gingen de Schelde afsluiten en met Antwerpens handel was het gedaan.
Velen der uitgewekenen trokken naar Amsterdam, Rotterdam en Middelburg, welke steden er dus zeer van profiteerden.
Op Marnix was men zeer vertoornd. Hij kreeg de schuld van de ongelukkige gang van zaken. Daarom trok hij zich uit het politiek terug: een tragisch eind voor deze grote vriend en medestander van Oranje, die zoveel voor onze landen had gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1952
Daniel | 12 Pagina's